Naar SH             Rasbeschrijving van de Show Homer 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rasbeschrijving:

De kop en alles wat daarmee samengaat bepalen natuurlijk voor een groot deel de kwaliteit van de Show Homer Bij de meeste sierduivenliefhebbers staat de Show Homer bekend als de duif met de roofvogelblik. Vooral Show Homers met veel schedel breedte hebben soms iets aanleg tot wat wenkbrauwvorming, tezamen met de haast witte oogkleur en de donkere oogranden die daarmee een fel contrast vormen geeft dat die typische blik die we vooral kennen van arenden en gieren.

Type en stand:

Het type, moet groot zijn maar vooral krachtig. Een normale postduif weegt 430-460 gram. Een Show Homer moet zichtbaar veel groter zijn. Overjarige doffers wegen vaak meer dan 700 gram. Bij een ras met zo een schedellengte zou het absurd zijn om een korte achterpartij te eisen, ernaar streven moeten we wel. Zogenaamde staartrijders, waarbij de staart de grond raakt, moeten om die reden in predikaat teruggezet worden.

Uit de ringmaat (11 mm) kan men afleiden dat de benen zeer krachtig verlangd worden, kort niet te dicht bij elkaar, en vrij ver naar achteren geplaatst is de volgende eis. Een enkel stoppeltje op de loopbenen, wat vaak voorkomt, moet voor de show worden verwijderd.

Show Homers waarbij de borst zover voor de vleugelbogen uitsteekt als op de standaardafbeelding bestaan niet. Vooral als ze wat opgericht staan moeten we al tevreden zijn als de borst iets voor de vleugelbogen uitkomt. De breedte van de borst daar komt het op aan. Een Show Homer met een te smalle borst geeft altijd de indruk van een lange smalle duif en dat is bij dit ras foeilelijk. De hals moet vol en krachtig uit de borst komen, beslist niet te lang zijn en mooi slank bij de kopaansluiting zodat er een scherp uitgesneden keel ontstaat. Voor de optische lengte in de voorkop is die scherpe keeluitsnijding van het grootste belang. De rug is vlak, breed bij de schouders en vormt tezamen met de staart een vrijwel rechte aflopende lijn. Bij de Show Homer is de vleugeldracht niet altijd optimaal. De middellange vleugels behoren op de staart gedragen te worden. Een losse vleugeldracht waarbij de vleugels opzij van de staart gedragen is voor showdieren niet toelaatbaar. Ook een perfecte rugafdekking kan zonder meer worden verlangd. De staart wordt in het verlengde van de rug gedragen, liefst smal en niet te lang. Het lijkt zo simpel maar het is zo moeilijk te verwezenlijken. Lange, losse en soms zelfs wat bolle staarten zijn bij dit ras nog vaak te constateren fouten. Het is een punt waar de fokkers veel aandacht aan zullen moeten geven. Ook de strakke bevedering die de scheppers van dit ras destijds voor ogen stond is bij dit ras meer uitzondering dan regel. Het weer en de conditie spelen hierin een grote rol.

Kopbelijning:

Zoals al eerder gesteld, de kop is bij de Show Homer met afstand het belangrijkste raskenmerk. Lengte, breedte en vulling, in die volgorde moet de kop van een Show Homer beoordeeld worden. In de standaard wordt die gewenste kopbelijning heel goed omschreven. De langgerekte booglijn begint bij de snavelpunt, het hoogste punt bevindt zich precies boven de ogen en gaat goed gerond via het achterhoofd over in de nek. Iedere onderbreking van die boog lijn devalueert de in andere opzichten fraaiste duif tot een G-tje Te lang in voorkop kan een Show Homer nooit zijn. Toch is de lengte van de voorkop niet alleen zaligmakend. Als we bij de Show Homer over voorkoplengte schrijven wordt daarmee de afstand tussen ooghoek en snavelaanzet bedoeld, die afstand willen we lang hebben. In oude literatuur wordt de afstand van pupil tot snavelpunt met twee inches (5 cm.) aangegeven. De snavel zelf moet zo kort en stomp mogelijk zijn. In snavelvolume zijn er de laatste jaren enorme vorder- ringen gemaakt. De V-vormige neusdoppen mogen op geen enkele wijze de kopbelijning verstoren. Helaas is dat, voor- al bij overjarige doffers, vaak een vrome wens. Van de keurmeesters wordt op dit punt begrip en tolerantie gevraagd. Voor een fraaie kopbelijning is breedte en vulling van de voorkop niet minder belangrijk dan de lengte. In bovenaanzicht mag de schedelbreedte tussen de ogen tot aan de bekaanzet maar minimaal versmallen. Ook de plaatsing van het oog, beslist niet te hoog, speelt in de harmonie van het geheel een grote rol.

Veel voorkomende fouten in de kopbelijning:

De meest voorkomende fout in de kopbelijning is ongetwijfeld de te vlakke voorkop, vrijwel altijd gaat dat tezamen met het iets overbouwd zijn van het gedeelte dat grenst aan de neusdoppen. Bij het in profiel bekijken van de kop is dit duidelijk vast te stellen. De denkbeeldige curve tussen snavelpunt en hoogste punt van de schedel ontbreekt hierbij volkomen. In de vorige standaard had men van de nood een deugd gemaakt door, afwijkend van de standaardafbeelding, een vlakker verlopende voorkop te omschrijven. Te zwakke ondersnavels is een euvel wat vooral bij duivinnen veel voorkomt.

Oogkleur en randen:

De kleur van de iris wordt helder parelkleurig verlangd met een, liefst, kleine pupil. De oogranden donkergrijs tot zwart en zo smal mogelijk, ze moeten het oog goed strak omsluiten. Bij de lichte kleurslagen kunnen we natuurlijk geen donkere oogrand verwachten, bij deze kleurslagen is de kleur van de oogrand aangepast aan de veerkleur.

In de praktijk kunnen we vrij hoge eisen stellen aan oog- kleur en randen. Bij de beoordeling van de oogkleur bij jonge duiven moeten we geduld hebben tot de laatste slag- pen is geruid en volgroeid. Tot die tijd vertoont de oogkleur een grijsblauwe gloed. Show Homers met iets rode adering in een verder goeie oogkleur kunnen nog steeds het hoogste predikaat halen. De structuur en kleur van de oogranden geven doorgaans weinig reden tot kritiek. Zogenaamde losse ogen, waarbij de oogrand het oog niet goed omsluit en het bindvlees in de ooghoeken aan de voorzijde duidelijk zichtbaar is, zijn erg lelijk. Een ander euvel is de ontbrekende bevedering onder het oog of bevedering die niet tot aan de oogrand doorloopt. Een en ander moet wel in de kooi vastgesteld worden.

Kleurslagen, kleur en tekening:

Het ligt voor de hand dat bij dit ras alle kleurslagen die bij postduiven voorkomen zijn erkend. Het z.g. sierduiven (recessief) rood en geel horen daar dus niet bij. In de praktijk zijn er maar een zeer beperkt aantal kleurslagen. Blauw zwartgeband en gekrast, blauwschimmels en blauwbonten. De hoofdmoot wordt gevormd door de blauwgekrasten, de tekening varieert van heel licht tot vrijwel zwartkras. Bij de beoordeling komt kleur en tekening op de laatste plaats, maar voor de hoogste predicaten moet kleur en tekening toch aan redelijke eisen kunnen voldoen. Zichtbare roest in banden of krastekening wordt niet geaccepteerd. Iets roest in de binnenvanen van de slagpennen bij donkergekrasten wordt niet bestraft. Het mooie lichte duivenblauw zal men bij de Show Homer tevergeefs zoeken. Ook strakke smalle banden zullen wel altijd een niet te vervullen wensdroom blijven, maar schone niet gewolkte schilden kan men zonder voorbehoud eisen. Bij de zwartkrassen is er op de schilden in feite geen sprake meer van krastekening maar van een soort zoming, dit is bij dit ras toegestaan. Een krastekening die doorloopt in de dijen en rug is positief te beoordelen maar kan men niet eisen. Soms is aan het uiterlijk vast te stellen dat de duiven recessief de factor voor bruin voeren, dit uit zich door het ontbreken van de groenglans in de halsbevedering en de matte kleur van banden en krastekening. Deze dieren horen niet thuis op de show. Ook vrijwel witte z.g. bonten die maar een enkel gekleurd veertje tonen, voldoen niet aan de omschrijving bont. Bij deze kleurslag moet men toch streven naar een verdeling van tenminste een derde- twee derde.

Het heeft geen zin om hier alle erkende kleurslagen en tekeningpatronen te omschrijven die misschien ooit bestaan hebben maar de laatste kwarteeuw niet meer zijn geshowd.

Produktiviteit:

De S.H. is geen ras dat bekend staat om zijn grote productiviteit. De dagen moeten echt al wat langer worden voor zij aanstalten maken om met het eerste legsel te beginnen. Twee tot vier jongen per jaar en per koppel is zon beetje het maximum. In Duitsland zijn er wel fokkers die in het fokseizoen de staarten bij de doffers inkorten. Dit zou de bevruchting ten goede komen. Voedsterduiven heeft men niet nodig, ze zijn goed in staat zelf hun jongen groot te brengen.

Tot slot:

Na het creëren van de Show Homer gaven de Engelse sierduivenfokkers hun pogingen om een ultiem schoonheidspostduivenras te fokken nog niet op. De Exhibition-Homer en de Genuine Homer, twee prachtige duivenrassen, zijn het zichtbare resultaat van dat pogen. De Giant Homer en de Show Racer zijn ontstaan in Amerika. Ook voor deze Amerikaanse schoonheidspostduivenrassen werd het uitgangsmateriaal, in de vorm van de Show Antwerp, geleverd door de Engelse fokkers.

Voor al deze rassen kunt u terecht bij de Schoonheidspostduivenclub in Nederland. Voor informatie kan men zich wenden tot de secretaris.