Naar SH          De Show Homer anno 2018 

 

SHOW HOMER                 duif met roofvogeluitdrukking

Engelsen zijn van oudsher createurs van bijzondere rassen. Of het nu gaat om paarden, honden, katten, (dwerg-)hoenders of sierduiven: Engelse fokkers creeren bijzondere, excentrieke en soms extreme dieren.

Beperken we ons tot de sierduiven dan zien we hoogstandjes in rassen als de Carrier, de Dragoon, de Engelse kort- en langvoorhoofd Tuimelaar. Bijzondere createurs hebben ook de 4 Homerrassen gemaakt: de Show Antwerp, de Genuine Homer, de Exhibition Homer en de Show Homer. Sterke staaltjes van fokkerskunst om zulke bijzondere creaties te fokken.

In dit artikel zal de Show Homer nader worden belicht. Zij is van de 4 Homerrassen de meest krachtige en forse duif met een extreem lange schedel. Door de lange gebogen kopbelijning met daarin het fraaie pareloog, geeft dit de typische roofvogelachtige gezichtsuitdrukking.

 Geschiedenis

De Show Homer is in de tweede helft van de 19e eeuw door fokkers gecreeerd uit een combinatie van Neurenberger Bagadetten, Show Antwerps, Tuimelaars en Engelse Owls. In het begin werd de Show Homer voor een tweeledig doel gehouden, nl. als postduif en als tentoonstellingsduif.

In oude Engelse duivenlectuur zijn artikelen te vinden over de vorming van een eerste Show Homer Club in 1886. De Show Homer heeft daarop een periode van grote bloei gekend en meerdere plaatselijke speciaalclubs werden in Engeland opgericht, totdat de Nationale Show Homer Club werd opgericht.

De Show Homer heeft in de loop der jaren een grote ontwikkeling meegemaakt. Oude standaardtekeningen uit de beginjaren en uit de eerste helft van de 20e eeuw laten een Show Homer zien met een lange maar spitse kop, afhellend en kort in type. In 1925 tekende Stanley Hutchinson een Show Homer die nu in Engeland nog steeds als ideaalbeeld wordt gehanteerd. We zien op deze tekening een onwaarschijnlijk lange (voor-)kop met een achterpartij, zo kort, dat dit wellicht nooit voorbij gestreefd zal worden.

Algemeen voorkomen

De Show Homer is een grote, krachtige en compacte duif met een enigszins lage stand en opgerichte houding. Zij heeft een lange schedel met pareloog. Door de lengte van de schedel hebben zij soms iets aanleg van wenkbrauwvoering; dit tezamen met het pareloog en de donkere oogranden die daarmee een fraai contrast vormen, hebben ze de typische roofvogelblik dat we ook kennen bij arenden en gieren. 

                 

                                                                                                                                                                           

Engelse standaardtekening (EE standaard)                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           1 van de eerste Engelse  

                                                                                                                                                                                                                                                     standaardtekeningen eind 1800

Kop en snavel

De kop is bij de Show Homer met afstand het belangrijkste raskenmerk. Lengte, breedte en vulling, in die volgorde moet de kop beoordeeld worden.

De langgerekte booglijn begint bij de snavelpunt; het hoogste punt bevindt zich precies boven de ogen en gaat goed gerond via het achterhoofd over in de nek. Te lang in voorkop kan een Show Homer nooit zijn. Toch is de lengte van de voorkop niet alleen zaligmakend. Als we over voorkoplengte schrijven wordt daarmee de afstand tussen ooghoek en snavelaanzet bedoeld; die afstand willen we lang hebben. In oude literatuur wordt de afstand van pupil tot snavelpunt met twee inches (5 cm.) aangegeven.

De snavel moet naar verhouding kort zijn en zeer krachtig, stomp en goed gesloten. Verlangd wordt een zwarte snavel, bij lichte kleurslagen is hoornkleurig toegestaan.

De V-vormige neusdoppen mogen op geen enkele wijze de kopbelijning verstoren. Helaas is dat, vooral bij overjarige doffers, vaak een vrome wens. Van de keurmeesters wordt op dit punt begrip en tolerantie gevraagd.

Kopstudie van jonge doffer; toont de fraaie gebogen lange schedellijn, sterke snavel,                                                                                             fijne neusdoppen, fraaie oogranden;                                                                                                                                                                       oogkleur nog niet geheel parelkleurig door leeftijd.        

Voor een fraaie kopbelijning is breedte en vulling van de voorkop niet minder belangrijk dan de lengte. In bovenaanzicht mag de schedelbreedte tussen de ogen tot aan de bekaanzet maar minimaal versmallen. Ook de plaatsing van het oog, beslist niet te hoog, speelt in de harmonie van het geheel een grote rol.

De meest voorkomende fout in de kopbelijning is ongetwijfeld de te vlakke voorkop Vrijwel altijd gaat dat samen met het iets overbouwd zijn van het gedeelte dat grenst aan de neusdoppen. Bij het in profiel bekijken van de kop is dit duidelijk vast te stellen. De denkbeeldige curve tussen snavelpunt en hoogste punt van de schedel ontbreekt hierbij volkomen. Te zwakke ondersnavels is een euvel dat vooral bij duivinnen veel voorkomt.  duidelijk vast te stellen. De denkbeeldige curve tussen snavelpunt en hoogste punt van de schedel ontbreekt hierbij volkomen. Te zwakke ondersnavels is een euvel dat vooral bij duivinnen veel voorkomt.

Oogkleur en oogranden

De kleur van de iris wordt parelkleurig verlangd met een, liefst, kleine pupil. De oogranden donkergrijs tot zwart en zo smal mogelijk; ze moeten het oog goed strak omsluiten. Bij de lichte kleurslagen kunnen we geen donkere oogrand verwachten; bij deze kleurslagen is de kleur van de oogrand aangepast aan de veerkleur.

In de praktijk kunnen we vrij hoge eisen stellen aan oogkleur en de oogranden. De eisen aan de oogkleur liggen hierbij wel iets lager dan bij de Exhibition Homer, aangezien een licht parelkleurig oog vrijwel niet te realiseren is. Bij de beoordeling van de oogkleur bij jonge duiven moeten we geduld hebben tot de laatste slagpen is geruid en volgroeid. Tot die tijd vertoont de oogkleur een grijsblauwe gloed. De structuur en kleur van de oogranden geven doorgaans weinig reden tot kritiek. Zogenaamde losse ogen, waarbij de oogrand het oog niet goed omsluit en het bindvlees in de ooghoeken aan de voorzijde duidelijk zichtbaar is, zijn erg lelijk. Een ander euvel is de ontbrekende bevedering onder het oog of bevedering die niet tot aan de oogrand doorloopt. Een en ander moet wel in de kooi vastgesteld worden.

Door de enorme koplengte ziet men geregeld dat de oogranden niet geheel rond zijn maar iets ovaal en ziet men boven het oog de zgn. wenkbrauw. Bij overjarige dieren, met name bij doffers, komt dit voor. Zolang de pupil goed zichtbaar is moet hiervoor geen opmerking over worden gemaakt. Daarbij komt dat fokkers hiervan gecharmeerd zijn en dit rasadel vinden.

Type en stand

Het type moet groot zijn, maar vooral krachtig. Een normale postduif weegt 430- 460 gram. Een Show Homer moet zichtbaar veel groter zijn. Overjarige doffers wegen vaak meer dan 700 gram. Bij een ras met zo'n schedellengte zou het absurd zijn om een korte achterpartij te eisen, ernaar streven moeten we wel. De Show Homer heeft een opgerichte houding, waarbij de staart de grond niet mag raken. Zogenaamde staartrijders, waarbij de staart de grond raakt, moeten in predikaat teruggezet worden.

Uit de ringmaat (11 mm) kan men afleiden dat de benen zeer krachtig verlangd worden, kort, niet te dicht bij elkaar, en vrij ver naar achteren geplaatst is de volgende eis. Iets bevedering aan de loopbenen komt vaak voor. Dat is niet toegestaan. Op de show verlangt men kale loopbenen en het is een kwestie van conditioneren om hieraan te voldoen.

De borst moet voor de vleugelbogen uitkomen, maar de breedte van de borst is belangrijker. Verlangd wordt een breed en goed gevormde borst en licht opgetrokken.

Een Show Homer met een te smalle borst geeft altijd de indruk van een lange smalle duif en dat is bij dit ras foeilelijk. De hals moet vol en krachtig uit de borst komen, beslist niet te lang zijn en mooi slank bij de kopaansluiting zodat er een scherp uitgesneden keel ontstaat. Voor de optische lengte in de voorkop is die scherpe keeluitsnijding van het grootste belang. De rug is vlak, breed bij de schouders en vormt samen met de staart een vrijwel rechte aflopende lijn. De vleugeldracht is niet altijd optimaal. De middellange vleugels behoren op de staart gedragen te worden. Een losse vleugeldracht waarbij de vleugels opzij van de staart gedragen is voor showdieren niet toelaatbaar. Ook een perfecte rugafdekking kan zonder meer worden verlangd. De staart wordt in het verlengde van de rug gedragen, liefst smal en niet te lang. Het lijkt zo simpel maar het is zo moeilijk te verwezenlijken. Lange, losse en soms zelfs wat bolle staarten zijn bij dit ras nog vaak te constateren fouten. Ook de strakke bevedering die de scheppers van dit ras destijds voor ogen stonden is bij dit ras meer uitzondering dan regel. Het weer en de conditie spelen hierin een grote rol.

Kleurslagen, kleur en tekening

Bij de Show Homer komt kleur en tekening op de laatste plaats in de volgorde van beoordelen. Het is niet zo dat we geen mooi gekleurde Show Homer (op de tentoonstelling) willen zien, maar de createurs van dit ras vonden destijds de kop met al haar facetten en vervolgens het type zo belangrijk en min of meer extreem, dat het schilderen van het dier maar op de laatste plaats kwam te staan. En in die tijd zaten soms honderden Show Homers op een tentoonstelling. Nu mogen we al blij zijn dat we ze op de shows kunnen bewonderen.

                                                                                                                                                                                                            Donkergekraste doffer met prima koplengte, vulling,                                                                                                                                                                                                                      snavel; fraaie stand en kort type

Alle kleurslagen die bij postduiven voorkomen zijn erkend. Het zgn. sierduiven (recessief) rood en geel horen daar niet bij.      

In de praktijk zien we maar een beperkt aantal kleurslagen. Zoals gezegd komt bij de beoordeling van het dier kleur en tekening op de laatste plaats, maar voor de hoogste predikaten moet kleur en tekening toch aan redelijke eisen voldoen.

Blauw zwartgeband en gekrast, blauwschimmel, roodzilver geband en gekrast zien we het meest. Bij de blauwgekrasten varieert de tekening van heel licht tot vrijwel zwartkras. Zichtbare roest in banden of krastekening wordt niet geaccepteerd. Iets roest in de binnenvanen van de slagpennen bij donkergekrasten wordt niet bestraft.

Het mooie lichte duivenblauw zal men weinig zien. Ook strakke smalle banden zullen wel altijd een niet te vervullen wensdroom blijven, maar schone niet gewolkte schilden kan men eisen. Bij de zwartkrassen ziet men op de schilden dikwijls weinig krastekening, meer een soort zoming; dit is bij dit ras toegestaan. Een krastekening die doorloopt in de dijen en rug is positief te beoordelen, maar kan men niet eisen. Bij de roodzilver gebanden zien we nauwelijks dieren met een mooi egale schildkleur en voorzien van twee donkere banden. Meestal is het schild iets gewolkt. Men mag ook hieraan niet zulke hogen eisen stellen, maar voor het hoogste predikaat moet de kleur en tekening toch aan redelijke eisen voldoen.

Soms is aan het uiterlijk vast te stellen dat de duiven recessief de factor voor bruin voeren; dit uit zich door het ontbreken van de groenglans in de halsbevedering en de matte kleur van banden en krastekening. Vrijwel witte dieren, die maar een enkel gekleurd veertje tonen, voldoen niet aan de omschrijving bont. Bij deze kleurslag moet men toch streven naar een verdeling van tenminste eenderde-tweederde.

Verzorging, kweek en selectie

De Show Homer is een vertrouwelijk en gemakkelijk ras om te houden. Zij stelt niet veel eisen aan de huisvesting, maar we moeten wel zorgen voor een ruim hok waarin ze veel bewegingsruimte hebben. Een ruime buitenvoliere is een pre opdat ze dan flink hun vleugels kunnen uitslaan.

Men doet er goed aan om te zorgen voor een ruim broedhok (80-100 cm breed bij 40-50 cm diep), om in het broedhok, zodra zij aan het volgende legsel zijn begonnen een bakje met eten en water te zetten, zodat de opgroeiende jongen zelfstandig kunnen eten en drinken bij het uitkomen van de volgende ronde eieren.

Ze koppelen gemakkelijk en ook het leggen van de eieren is geen enkel probleem. Wel moeten we de koude maanden voorbij zijn, want bij koud weer is de kans op onbevruchte eieren wat groter. Naarmate de zon langer gaat schijnen en het warmer wordt, komt er meer leven in de brouwerij en is de bevruchting doorgaans goed.

Ze broeden erg trouw. Het voortijdig van de eieren lopen is niet aan de orde.

De bevruchte eieren komen over het algemeen altijd uit, waarna dan een kritieke fase volgt: worden de jongen al dan niet dood gezeten. Het zijn erg zorgzame ouders, zo zorgzaam dat ze dikwijls beiden tegelijk op het nest willen zitten en deze zorg gaat dan ten koste van de pas geboren jongen. Ook een Show Homer alleen kan de jongen dooddrukken.

Show Homers kunnen hun jongen zelf grootbrengen. Wel moet men attent zijn. Vooral de periode vlak voor het zelfstandig worden is een cruciale periode. Sommige ouderdieren voeren de jongen dan niet meer volledig en dan zitten de jongen 's avonds met een halfvol kropje te piepen. Zaak is dan om ze een handje te helpen door de jongen bij te voeren. Dit is geen probleem. Ze hebben een grote bek en het voer glijdt er gemakkelijk in met daarbij het toedienen van het nodige water. Het opgroeien van de jongen verloopt doorgaans goed, maar vergt de nodige tijd. We kunnen dit niet vergelijken met bijv. Show Racer en Duitse Modena. 

Twee jonge SH roodzilver gebanden van 3 weken oud;                                                                                                                                                                                                                                                                                    tonen al de lange voorkoppen met goede forse snavels

Bij het selecteren van de dieren moet men uitgaan van twee criteria: de show en de fok. Niet ieder dier is geschikt is voor de show en/of geschikt voor de fok. Op twee onderdelen moet men zeer kritisch zijn: de kop en het type/stand.

De lengte van de voorkop moet lang zijn. Dat kan niet te lang zijn! Daarbij komt de breedte van de kop en de zwaarte van de snavel. Moeilijkheidsfactor is meestal dat bij lange koppen de breedte en de zwaarte van de snavel inleveren. Dit zal men steeds moeten compenseren door zware - kortere - voorkoppen te koppelen met lange voorkoppen. In alle gevallen moet de kopbelijning van snavelpunt tot achterhoofd vloeiend verlopen; er mag geen recht stuk in zitten, bijv. in de voorkop. Als dit te recht is, is de voorkop te vlak. Ook moet er op worden gelet dat de snavel onder en boven krachtig is en geen snaveldruk aanwezig is.

Ook moet men letten op de oogranden en de neuswratten. Bij oude dieren - vanaf 3 jaar - kunnen de neuswratten wat grof worden, doch bij jonge dieren is dit niet te tolereren en moet men ook daarop selecteren. De oogranden mogen eveneens niet grof zijn; bij excellente dieren ziet men ze nauwelijks of men ziet een zgn. wenkbrauw. Zo'n wenkbrauw bij een fraai pareloog oogt schoonheid en wordt toegestaan. Maar ook hier geldt dat zo'n wenkbrauw heel licht moet zijn. Bij oudere dieren kan zij wat grover worden.

In de kop moet een mooi pareloog zitten waardoor het roofvogeleffect om de hoek komt kijken. Bij de Show Homer is een zuiver pareloog niet gemakkelijk te realiseren. Meestal is de parelkleur enigszins onzuiver; men ziet wat donkere puntjes. Ook ziet men dieren met rood in de ogen. Hierop moet men streng selecteren. Een ietsje rood kan op de show getolereerd worden, doch voor de fok kan het funest zijn.

In type moet de Show Homer zo kort mogelijk zijn, breed in schouders, vol in borst, kortom krachtig, met een goed opgerichte stand. Horizontale stand valt niet te tolereren. Onder dit geheel moeten een stel krachtige onderdanen het geheel completeren. Een Show Homer met een paar iele pootjes is geen gezicht en toont alleen hier al aan dat het dier te licht wordt voor het ras dat hij behartigt. De 11-mm ring moet goed gevuld zijn. 

Stand van het ras

De Show Homer heeft geen grote aanhang onder de fokkers. Het is bepaald geen ras voor beginners die snel successen willen boeken in fok en op de show. Het is een ras voor specialisten en volhouders; een ras met uitdaging dat voor die enkele liefhebber met recht veel voldoening kan bieden.

In het land van oorsprong bespeuren we niet veel fokkers meer; wel zien we daar zeer krachtige dieren met fraaie koppen, maar doorgaans te vlak in type. In Duitsland bevinden zich ook maar enkele fokkers die zeer fraaie dieren in de kooien weten te brengen. In Frankrijk woont een van oorsprong Duitse fokker, die de nodige dieren bezit, welke over het algemeen te vlak in type zijn met (de meeste) te korte koppen.

Al decennialang zijn de fokkers in ons land op 1 hand te tellen en dan houden we nog vingers over. Wel kunnen we stellen dat die paar fokkers hebben gezorgd voor doorsnee kwalitatief betere dieren in de laatste twintig jaar.

Middelburg, april 2018,

Han van Doorn