Naar NSP                            De Ned. Schoonheidspostduif anno 2018

De geschiedenis van de N.S.P. is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de vliegpostduif. De postduif  is een Belgische creatie en als zodanig in het begin van de 19e eeuw in Belgie ontstaan. Tal van sierduivenrassen zoals meeuwen, carriers, kroppers, Luikse Barbetten, diverse tuimelaar soorten etc. hebben aan de vorming bijgedragen.

Door de, ook nu nog soms voorkomende, jabots en bekousde benen worden de voorouders verraden.

Na de vorige eeuwwisseling werden er in meerdere landen pogingen ondernomen om, met behoud van de vliegcapaciteiten, tentoonstellingspostduivenrassen te creeren. Vooral omdat de nagestreefde kopvormen veelal te extreem waren, waren deze pogingen bij voorbaat tot mislukking gedoemd, een Dafne Schippers onder de postduiven te fokken bleek een utopie. Toch hebben deze pogingen geleid tot het ontstaan van een aantal prachtige rassen. De toevoeging "Homer" bij de Engelse rassen heeft echter alleen nog een historische betekenis. Ook de Duitse "Schautaube" heeft niets meer met de "Brieftaube " gemeen. Ook bij de onze postduivenfokkers leefde het verlangen om mooi en goed te combineren. Dit leidde reeds in 1925 tot de oprichting van de Nederlandse groep van "Gediplomeerde Keurmeesters".

Hun eerste werk was het ontwerpen van een standaard waaraan de ideale postduif moest voldoen. Hoewel de standaard van de postduif vrijwel identiek is (voor wat betreft de lichaamsbouw) met die van de N.S.P. is er in de praktijk wel degelijk verschil. Bij de postduiven is de stand meer afhellend, de halzen zijn forser en naast een veel rijkere bepluiming zijn ze ook gespierder. Kort voor en na de Tweede Wereldoorlog was de Ronsenaar, Maurice Delbar praktisch niet te kloppen op de grote fondvluchten. Het predicaat mooi en goed was bij uitstek van toepassing op zijn duiven. De Delbars vielen op door hun kleur (merendeels heel lichtblauwe met soms enkele witte pennen), mooi belijnde koppen en de uniformiteit van type.

Nu meer dan een halve eeuw later voeren praktisch alle tentoonstellingspostduiven en ook de N.S.P. nog Delbarbloed. Als vliegduiven zijn ze inmiddels verdrongen door andere stammen. Ook de zwartkrassen van Corneel Horemans uit Schoten (Belgie) stonden in die jaren bekend om hun prachtige type. De kleur was toch minder geliefd en zij hebben als tentoonstellingsduif nooit het succes van de Delbars kunnen benaderen.

Tot 1947 werden tentoonstellingspostduiven gekeurd volgens de standaard van de Nederlandse groep van gediplomeerde keurmeesters, in dat jaar werd de standaardcommissie door de N.B.S. ingesteld, hierdoor veranderde de situatie. De door de nieuwe standaardcommissie ontworpen standaard week op meerdere punten af van de bestaande, met als gevolg dat bijvoorbeeld aan de oogkleuren en kopbelijning andere eisen gesteld werden.

Achteraf kunnen we ons gelukkig prijzen dat in die beginjaren niet gekozen is voor een extreme kopbelijning. Met uitzondering van de Nederlandse Schoonheidspostduif hebben alle schoonheidspostduivenrassen sedert hun omvorming tot tentoonstellingsras veel ingeboet aan vitaliteit en vruchtbaarheid. Acht tot tien jongen per koppel per jaar is eerder regel dan uitzondering. Vooral deze vruchtbaarheid maakt het ras, ook als voedsterduif, zeer geliefd.

De N.S.P. behoort tot de vormduiven en moet voor alles type en stand vertonen. Bij het beoordelen van type en stand wordt (nog) niet gelet op onderdelen, maar gaat het om de totale indruk. Een echte fraaie N.S.P. is veel meer dan een optelling van bepaalde maten en verhoudingen, het moet een esthetisch geheel zijn, waarvan iedere beschouwer meteen onder de indruk komt. Maar net zoals foto's en schilderijen aan bepaalde compositiewetten gebonden zijn, zo moet ook de N.S.P. aan bepaalde, in de standaard omschreven, eisen voldoen om dat gewenste beeld te kunnen vertonen.

In de standaard wordt het type (de lichaamsbouw) omschreven als fors en kort gebouwd. Die gevraagde forsheid mag niet ontaarden in grof of lomp. De grootte van een flinke postduif is voor een N.S.P. precies goed. Wat gewenst is, zijn duiven met een volle, brede en diepe borst die overgaat in een goed gevulde buik. Borst en buik moeten royaal voor en onder de vleugelbogen uitkomen. De middellange hals moet vol en breed uit de schouders komen en mooi gelijkmatig verlopen naar een slanke bovenhals. Een strakke bevedering kan veel bijdragen aan die indruk van slankheid. Bij de overgang naar de kop is een scherpe keeluitsnijding beslissend voor een goed geproportioneerde kopbelijning. N.S.P. met een zogenaamde volle keel lijken altijd te kort in de voorkop. De halsdracht dient mooi verticaal, een denkbeeldige loodlijn uit het oog moet de schouderaanzet raken. N.S.P. met een vaste horizontale stand staan vrijwel altijd goed in balans en hebben automatisch de juiste halshouding. Duiven met een afhellende stand missen die balans en steken ter compensatie hun kop (respectievelijk hals) naar voren.

Rug

De N.S.P. verlangt een brede rug, breed bij de schouders maar ook de overgang naar de bovenstuit en de bovenstuit zelf moeten niet te smal zijn.

Staart

De eis van een korte staart is, vooral bij doffers, vrijwel niet te realiseren. De vuistregel, dat de staart niet meer dan een duimbreedte langer mag zijn dan de slagpennen, is zelfs bij de duivinnen maar met moeite toe te passen. Ook bij de postduiven is dit niet anders. De optische indruk van een lange achterpartij wordt meestal veroorzaakt door een te smalle borst. Smalle staartveren zijn ook altijd lange staartveren. Bij het samenstellen van de fokparen moet daar rekening mee gehouden worden en worden duiven geselecteerd met brede en korte staartveren. 

Vleugels

De vleugels van de N.S.P. moeten breed zijn, de rug volledig afdekken en met de slagpeneinden losjes op de staart rusten.

Benen

De standaardomschrijving van de beenlengte, middellang, is voor de N.S.P. exact juist en geeft precies aan wat gewenst is. Die gewenste beenlengte is vrijwel altijd aanwezig. De stand van de benen is  licht gehoekt. Een gestrekte beenstand maakt een houterige indruk. Een gedrukte houding kan een gevolg zijn van een wat schuw karakter of het ongetraind zijn van de duif. Een bekousd loopbeen komt ook nog wel eens voor, merkwaardig genoeg zijn dat vaak  de beste types.

 

Voorkomende fouten bij het type (lichaamsbouw)

Te smal en/of te lang in achterpartij, Te dikke of te lange hals (te dikke hals gaat vaak samen met een volle keel), Foutieve vleugeldracht, Te vlak in borst, Te hoge of te lage stelling (dit kan men beter als een afwijking van de ideale stand om schrijven).

Stand

Een vaste horizontale stand, aan die eis wordt bij de N.S.P. geen enkele concessie gedaan. Een ieder weet   wat met een horizontale stand bedoeld wordt maar het is moeilijk exact te omschrijven. Bij een horizontale stand is de ruglijn nog licht afhellend, maar een denkbeeldige lijn vanuit het midden van de vleugelboog naar de staart moet evenwijdig met de bodem van de showkooi verlopen. Keurmeesters zijn altijd geimponeerd door duiven die constant een vaste stand vertonen. Van geen enkele duif kan men echter verwachten dat zij gedurende 24 uur per etmaal de door ons gewenste stand aanneemt. Een simpel aantikken met de keurstok of het even oplichten van het kooideurtje moet voldoende zijn om de N.S.P. in stelling te brengen. Duiven met een echt afhellende stand vallen meteen op, ondanks eventuele andere kwaliteiten is 92 punten voor hen het hoogst bereikbare. Duiven die alsmaar door de kooi drentelen en/of duiven die zelfs met behulp van de keurstok maar met moeite de gevraagde horizontale stand vertonen, missen de vaste stand die bij dit ras wordt verlangd Voor de hoogste predicaten komen dergelijke duiven niet meer in aanmerking. Bij die horizontale stand hoort natuurlijk de daarbij passende beenstelling, iets doorgedrukt in de hielgewrichten en een fraaie rechtop gedragen hals.

 

Voorkomende fouten bij de stand

Kop

De N.S.P. behoort niet alleen tot de vormduiven het is echter ook bij uitstek een zogenaamd kopras. Bij duiven behorende tot die groep wordt ieder foutje of afwijking van de ideale kopbelijning streng bestraft.

De omschrijving van de kopbelijning in de standaard is gedetailleerd en uitvoerig en luidt als volgt: "Een fraaie harmonische kopbelijning met behoorlijkeAfbeelding met vogel, duif, dier, hoendervogel

Beschrijving is gegenereerd met zeer hoge betrouwbaarheid

voorhoofdslengte en zeer gematigde ronding van de kop. De voorhoofdslijn loopt van de snavelpunt tot de schedeltop, met het hoogste punt midden boven het oog en zonder de minste onderbreking in een fraaie ronding verlopend naar de nek. De voorkop is wigvormig en geheeld gevuld, zonder inzinking of kneep. Ook het overige deel van de kop is harmonisch gevuld. De kop wordt fier en met de onderkant van de snavel, horizontaal gedragen. Alle fokkers weten, dat de gevraagde kopbelijning makkelijker bij duivinnen dan bij doffers te realiseren is. Doffers hebben van nature een kortere en rondere kop met meer schedelbreedte dan duivinnen. Toch moet er voor gewaakt worden, doffers met duivinnenkoppen te willen fokken. Reeds ondernomen pogingen in die richting hebben afdoende bewezen dat met het afnemen van het kopvolume ook de gewenste forsheid van het type verloren gaat.

Kopdracht, keeluitsnijding en achterkopbelijning kan het beste beoordeeld worden terwijl het dier in de kooi staat. Bij de beoordeling van de overige koppunten moet het in de hand genomen worden. Een N.S.P. met een fraaie kopbelijning heeft een behoorlijke lengte in de voorkop, die lengte wordt bepaald door de afstand tussen ooghoek en snavel, de snavel zelf mag hooguit middellang zijn.

Bij het in profiel bekijken van die kopbelijning wordt gelet op die lengte in de voorkop en de snavelinplanting maar ook iedere onderbreking van die kopbelijning is dan duidelijk te zien. Zo kennen we snaveldruk, wratdruk, voorhoofdsdruk enz. al naar gelang van de plaats waar de druk of onderbreking optreedt. De laatste jaren zien we in toenemende mate N.S.P. met hoekige niet goed afgeronde achterkoppen. Omdat dit sterk vererft moet het streng bestraft worden. De vorm en structuur van de neuswratten tezamen met de wigvorm van voorkop en schedel wordt van bovenaf bekeken. De meest voorkomende fout in de kopbelijning is wel de zogenaamde kneep (het voorkopgedeelte onmiddellijk boven de wratten is dan zijdelings ingedeukt). Kneep komt vaak voor bij duiven met veel lengte in de voorkop. De fraaiste koppen zijn altijd een compromis tussen lengte en vulling. Bij jonge duiven kan men pas na het ruien van de laatste slagpen een goed gevulde voorkop verwachten.

Neuswratten

De N.S.P. dient zwak ingesneden hartvormige neuswratten met een zo fijn mogelijke structuur te bezitten. Iedere verstoring van de kopbelijning door de neuswratten is foutief en moet bestraft worden. Duiven met te diep ingesneden wratten of wratten met een te grove structuur worden in predicaat terug gezet. De neuswratten moeten op de snavelrug goed gesloten zijn, hier is de laatste jaren al veel bereikt, maar is nog niet algemeen goed.

Oogranden

De ideale oogranden zijn zo fijn dat ze haast onzichtbaar zijn. Ook de vorm van de oogranden is erg belangrijk, oog met oogrand moet een volkomen ronde indruk geven. Op een ovale vorm moet een aanmerking gemaakt worden. Ook de veergroei rond de ogen moet geheel aansluiten. De kleur van de oogranden moet aangepast zijn aan de veerkleur. Bij duiven met de zwartfactor, zoals zwarten, blauwzwartgebanden en  blauwkrassen wordt een licht grijze rand verlangd, bij witten, gelen en roden moet de oogrand wit tot licht vleeskleurig zijn. Vooral bij de blauwen en blauwzilvers kan men de hoogste eisen aan de oogranden stellen. Bij zwart en rood moet men in dit opzicht nog wat door de vingers zien.Afbeelding met grond, voedsel

Beschrijving is gegenereerd met hoge betrouwbaarheid

 

 

 

 

 

 

 

 Vliegpostduiven liefhebbers denken de kwalitiet van een duif in het oog te kunnen lezen            Verkenningscirkel rond de pupil

Snavelkleur

Een zwarte snavel wordt verlangd bij de zwarten, blauw ongeband, blauwgebanden, blauw- en zwartkrassen. Bij blauwzilver iets minder donker. Een hoornkleurige snavel wordt verlangd bij de roden, gelen, rood- en geelzilvers. Een licht vleeskleurige snavel wordt verlangd bij de witten.

Nagelkleur

De nagelkleur moet in overeenstemming zijn met de snavelvelkleur, 1 of meer witte nagels bij een andere kleurslag dan wit of bont leidt tot uitsluiting,

Oogkleur

De standaard verlangt bij alle kleurslagen (behalve wit) een oranjerode iris. In de praktijk is deze eis iets gematigder, maar bij alle kleurslagen behorende tot de zwartfactor-groep wordt een lichtend oranjerood oog verlangd. Een afwijkende oogkleur maar ook een hardgele of erg donkere oogkleur wordt als zware fout beschouwd. Een zogenaamde correlatie- of verbandscirkel is bij de N.S.P. niet gewenst. 

Veerkleuren

De N.S.P. behoord niet tot de kleurduiven en vooral het zogenaamde postduiven rood en geel is nooit zo diep en glanzend als de overeenkomstige sierduivenkleur. Bij rood en geel is de kleur van de slagpennen lichter dan de schildkleur, gekleurde binnenvanen zijn toegestaan. Bij de gebande kleurslagen wordt een egale en schone schildkleur verlangd, met smalle intensief gekleurde banden zonder roest of peper. Een witte rug bij blauw ongeband, blauwgeband, blauw- of zwartgekrast wordt met 1 predicaat aftrek bestraft. Ook op de buikkleur moet worden gelet, vooral bij de blauwe kleurslagen kan men vaak een afwijkende te lichte buikkleur vaststellen. Al naar de mate van de afwijking moet dit worden bestraft. Donker en donkergezoomd zijn niet erkend, blauw- en zwartkrassen wel, ook deze kleurslagen mogen geen roest in de schilden vertonen.

De Nederlandse Schoonheidspostduif is in veel kleurslagen erkend: wit, zwart , dun, rood,  geel,  andalusisch blauw, dominant rood, 

dominant geel, blauw ongeband,  blauwzilver ongeband,  roodzilver ongeband, geelzilver ongeband,  blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, indigo geband, roodzilver geband, geelzilver geband,  blauw gekrast, blauwzilver gekrast, roodzilver gekrast, geelzilver gekrast, indigo gekrast, blauw donker gekrast, blauwzilver donkergekrast, roodzilver donkergekrast, geelzilver donkergekrast, blauw schimmel, blauwzilver schimmel, roodzilver schimmel, geelzilver schimmel, ecru, bont (in de vorengenoemde kleuren).  

 Willem de Wal