3 - ideale kopbelijning
 4 - schedel te smal
 5 - toont kneep
 6 -  kop meer wigvormig gewenst
 7 - achterkop vlak en hoekig
 8 - z.g. appelkop
 9 - toont druk
 10 - te vlakke schedel

Rasbeschrijving van de Dragoon

Terug

De Dragoon, een Vorm- of Wratduif.

Als je je voorneemt een artikel over de Dragoon te schrijven wordt je al gauw met bovenstaande vraag geconfronteerd. Tevens wordt dan al snel duidelijk dat de standaardindeling voor veel rassen kunstmatig, historisch discutabel en willekeurig is.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat duiven op grond van hun voornaamste raskenmerk worden ingedeeld. Een ieder moet toch het verschil tussen een Structuurduif en bijvoorbeeld een Kropper kunnen zien. Toch als je bij een Chinese Meeuw op je gevoel afgaat, zit je al mooi fout. Tuimelaars hebben alleen hun witte oogkleur nog gemeen, aan hun stijl van vliegen zijn ze beslist niet meer te herkennen. De "Vormduiven" fungeren zo'n beetje als vergaarbak voor die duivenrassen die niet zonder meer bij de andere groepen zijn onder te brengen. Ook bij de meeste wratduivenrassen is de indeling vraagwaardig. In het hele scala van raskenmerken vormen de neuswratten bij de diverse Bagadettenrassen maar een zeer bescheiden rol. In vrijwel alle hedendaagse Engelse schoonheidspostduivenrassen vloeit wel bagadetten en/of carrierbloed. In dit licht gezien is het niet verwonderlijk dat de toenmalige standaardcommissie op verzoek van de SPC die de Dragoon al tientallen jaren onder haar hoede heeft, de Dragoon bij de vormduiven indeelde.

De Dragoon in de literatuur.

De Dragoon als ras is een Engelse creatie, maar de oorsprong van alle wratduiven- en Bagadettenrassen ligt in het nabije Oosten. Jammer genoeg is er in de westelijke wereld geen literatuur uit die landen over duiven of ander pluimvee bekend. Ook de precieze afkomst van de Dragoon en zijn voorouders is in feite onbekend.

Voor de oudste optekeningen over wratduiven moeten we teruggaan naar 1599. Aldrovandi beschreef toen de Turkse- Duif. Dit schijnt het oudste gedomesticeerde ras, van de thans nog levende duivenrassen te zijn. Samen met de Perzische Carriër stond de Turkse-Duif aan de wieg van de "Horseman" Al deze voorvaderen hadden een carriërachtig type met grove wratstructuur en opvallende brede oogranden. Tevens hadden zij gemeen dat zij goed konden vliegen en over een uitstekend oriëntatievermogen beschikten.

In 1678 beschreef F.Willughby in zijn "The Ornithology" reeds de Horseman die als een rechtstreekse voorvader van de Dragoon beschouwd wordt. Voor de eerste beschrijving van de Dragoon moeten we wachten tot 1735. In zijn toen verschenen boek "Colombarium" beschreef John Moore de Dragon. (ja dat klopt met één o)

 

             

Vooraanzicht van ideale kopbelijning
Zijaanzicht van ideale kopbelijning

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dragon of Dragoon ?

Al is de schrijfwijze vrijwel hetzelfde toch is er een enorm verschil in klank tussen de beide woorden. Voor wie de moeite wil nemen om het in een Engels woordenboek op te zoeken, het woord Dragon staat voor draak terwijl Dragoon de Engelse benaming is voor dragonder (lichte cavalerist of kordaat vrouwspersoon). Van Horseman (bereden militair) naar Dragoon (lichte cavalerist) is natuurlijk maar een kleine stap. Ik heb meerdere malen de wisseling van de wacht bij Buckingham-Palace gadegeslagen maar daarbij nooit aan Dragoons gedacht. Hoe het ook zij, de duif die wij bedoelen staat tegenwoordig over de gehele wereld onder de naam Dragoon (ja, met twee o's) bekend.

Als we de Dragoons van nu bekijken met hun gestroomlijnde body's en hun enorme snavelvolumes kunnen we ons niet meer voorstellen dat het uitgangsmateriaal zo totaal afwijkend was. Zelfs de Dragoons van rond de eeuwwisseling hadden een carriërachtig type, met lange dunne halzen, spitse lange snavels en valkenetachtige oogranden. Generaties van fokkers hebben hun hele fokkersleven eraan besteed om de Dragoon te maken tot wat hij nu is. Eens te meer waren het de Engelse specialisten die zowel bestek als bouwtekening leverden van wat zij als de ideale Dragoon zagen. Oorspronkelijk kende men nog een ander type. Dit zogenaamde Birmingham-type was hoekiger in de kopbelijning, maar al snel gaf men de voorkeur aan het Londense type. Behoudens enkele kleine detailaanpassingen is de Engelse standaardomschrijving in honderd jaar praktisch niet veranderd.

Rasbeschrijving

De NBS standaardcommissie heeft besloten dat in de toekomst iedere NBS standaard begint met type en stand. Dit lijkt mij een goed besluit. Daarom begint ook deze rasbeschrijving met het:  

Type

De Dragoon is een krachtige diepgestelde duif. De borst wordt breed en vol verlangd. Borst en buik komen royaal voor en onder de vleugelbogen uit. Het meest opvallende is de vrij korte forse hals die vrijwel zonder versmalling in de stierennek overgaat. Mede door de opgerichte stand geeft deze hals- vorm de Dragoon dat gestroomlijnde uiterlijk dat we wel kennen van otters en robben.

De Dragoon heeft vrijwel alles vóór de benen, dit houdt automatisch in dat de benen ver naar achteren zijn geplaatst en dat we de achterpartij zo kort mogelijk wensen. De meest voorkomende typefout is ongetwijfeld de te slanke halspartij.

Stand

De stand van het lichaam is licht afhellend, waarbij de staart de grond niet mag raken en de hals licht naar voren gestrekt is. Het bijzondere hierbij is de kopdracht waarbij de snavelpunt, door het horizontale heen, in de lucht moet wijzen. In de duivenwereld is deze kopdracht waarschijnlijk eenmalig.

Kop

Bij de Dragoon willen we een brede goed gewelfde schedel, die wigvormig naar de snavel loopt. Voor een goede bekaanzet is het belangrijk dat er een behoorlijke breedte en vulling is achter de neuswratten. Vooral duivinnen laten het op dat punt nogal eens zitten en vertonen dan die hatelijke kneep. Ook de overgang tussen kop en nek is afwijkend van nagenoeg alle andere duivenrassen. Vooral door die opgeheven kopdracht is er van een echte overgang vrijwel geen sprake en gaat de kop haast zonder onderbreking over in de stierennek.

Snavel

Naast vorm en structuur van de neuswratten wordt het predikaat bij de Dragoons voor een groot deel bepaald door de kwaliteit en het volume van de snavel.

De snavel verlangen we stomp en zo krachtig mogelijk. Bij een goede snavelinplanting loopt de doorgetrokken snavellijn onder het oog door. In de praktijk wordt de ondersnavel zo mogelijk nog krachtiger dan de bovensnavel gewenst. De Amerikanen noemen het de softnosed bulletvorm. Onze oosterburen hebben een haast onwaarschijnlijke graad van perfectie in de snavelvorm van hun Dragoons weten te bereiken. Daarbij sluiten de beide snavelhelften zo precies op elkaar dat de naad met het blote oog haast onzichtbaar is. Om zo iets te bereiken moet de natuur                                                                                  (vrijwel wekelijks) geholpen worden. In Nederland nemen we met iets minder genoegen.                                                                    Toch behoren de snavels regelmatig bijgevijld te worden, Dragoons met te weinig                                                                    snavelsubstantie, golvende of slecht sluitende snavels hebben op een tentoonstelling niets                                                                    te zoeken.

 

Oogkleur

Dragoons met een donkere snavel behoren een fonkelende dieprode oogkleur te hebben. Deze robijnrode oogkleur kunnen we bij de verdunde kleurslagen niet eisen. Bij de gelen en blauwzilvers moeten we ons met een oranjerode iris tevreden stellen. De witten tenslotte hebben een donkere oogkleur. Wat betreft oogkleuren vervullen de Dragoons een voorbeeldfunctie, deze geven zelden aanleiding tot klachten.

Oogranden

De vorm van de oogranden bij de Dragoons is zeer rastypisch. Aan de voor- en bovenzijde van de ogen zijn de randen vrij breed (drierijig) maar richting onder- en achterzijde worden ze steeds smaller. Vooral bij oudere dieren ziet men vaak te grove oogranden, zo gauw ze boven de schedel uitkomen of vastgroeien aan de neuswratten moet dat streng bestraft worden. De kleur van de oogranden is zo mogelijk nog belangrijker dan hun vorm. Een tweekleurige oogrand degradeert zelfs de beste Dragoon tot uitschot. Vaak is dit het gevolg van het infokken van verdundkleurigen. Bij het samenstellen van fokkoppels moet hier terdege op gelet worden. Bij de kleurslagen zwart, blauwgeband en gekrast, blauwschimmel, roodzilver en roodgekrast moeten de oogranden intensief blauwgrijs (pruimenblauw) zijn. Bij de overige (verdunde) kleurslagen en tevens bij de witten en de sierduifroden wordt een vleeskleurige oogrand verlangd.

Neuswratten

Het meest opvallende aan de snavelwratten van de Dragoons zijn toch wel de rillen of ribbels die in de vorm van ondiepe maar scherp begrensde groeven in de lengterichting van de wratten lopen (zie tekening). Voor een goede wratopbouw is het belangrijk dat de wratten lang zijn, dus zo dicht mogelijk bij de snavelpunt beginnen en doorlopen tot aan de mondhoeken. Een zogenaamde goed ingebouwde wrat willen we bij de Dragoons beslist niet. Integendeel, vanaf de snavelpunt moet de wrat langzaam oplopen zodat er bij het voorhoofd ten opzichte van de bevedering een kleine afzet ontstaat. In de sommige beschrijvingen wordt dit een tolvormige wratopbouw genoemd . De bovenzijde van de wrat moet recht zijn, iedere neiging tot hartvormigheid moet bestraft worden. De wratstructuur tenslotte moet glad, fijn en zo vast mogelijk zijn. Alleen door hier steeds weer op te selecteren krijgt men dieren die ook op latere leeftijd nog showbaar zijn. Jonge duiven met wratvorming aan de ondersnavel moeten minstens een predikaat teruggezet worden.

Kleurslagen en stand van het ras

In de standaard staat precies aangegeven welke kleurslagen erkend zijn, met uitzondering van bont zijn dat vrijwel alle postduivenkleuren. Vooral de tekening bij de blauwkrassen vormde in het verleden een punt van discussie. Deze tekening is genetisch niet zuiver vast te leggen. Zolang de banden duidelijk zichtbaar zijn is het niet belangrijk of de schildtekening wat donkerder of lichter uitvalt. Een ander heet hangijzer is de kleur van de oogranden bij roodzilver en roodgekrast. Voor beide kleurslagen worden donkere snavels en pruimenblauwe oogranden geëist. Door de standaardcommissie is dit al eens in "Avicultura" gepubliceerd, maar sommige keurmeesters schijnen dat nooit gelezen te hebben. Bij de beoordeling komen kleur en tekening op de allerlaatste plaats, toch worden hieraan wel degelijk vrij hoge eisen gesteld.

Ook in Engeland, het land van herkomst, zijn er nog maar een bescheiden aantal fokkers. De Dragoon is nooit een duif voor de grote massa geweest. Toch kan men ze bij ons op alle landelijke shows bewonderen. Bij de nederlandse speciaalclub kennen we een tiental fokkers waarvan er enkele tot de echte specialisten behoren. Vrijwel alle erkende kleurslagen worden bij ons in showkwaliteit gefokt. De laatste jaren zijn vooral de blauwkrassen het meest succesvol. In Duitsland ligt dat anders daar worden de ereprijzen op de voornaamste shows meestal gedeeld tussen de blauwgebanden van Karl Adler uit Hirschberg en de blauwschimmels van Hubert Weidmann uit Bremen. (nabericht, dhr. Weidmann heeft zijn Dragoons helaas geruild voor Koi-Karpers)

De Dragoon is nog steeds een uiterst vitaal en robuust ras dat zonder hulp van voedsterduiven probleemloos zijn eigen jongen grootbrengt.

Liefhebbers die met dit prachtige ras willen beginnen, kunnen zich wenden tot de secretaris van de Schoonheids Postduiven Club in Nederland.