De Dragoon anno 2018

Terug

Dragoon              “Sterrenkijker”

Geschiedenis

De Dragoon als ras is een Engelse creatie, maar de oorsprong van alle Wrat­duiven en Bagadetten­rassen ligt in het nabije Oosten. De precieze af­komst van de Dragoon en zijn voor­ouders is in feite onbekend. Voor de oudste vermel­dingen over wrat­duiven moeten we teruggaan naar het jaar 1599. Aldrovandi beschreef toen de Turkse duif. Dit schijnt  het oudste ge­domesticeerde ras van de thans nog in leven zijnde duiven­rassen te zijn. Samen met de Perzische Carriër stond de Turkse duif aan de wieg van de ‘Horseman’. Al deze voorvaderen hadden een Carriër­achtig type met grove wratstructuur en opvallende brede oogranden. Tevens hadden zij gemeen dat zij goed konden vliegen en over een uitstekend oriëntatievermogen beschikten. In 1678 beschreef Wiloughby in zijn ‘The Ornithology’ reeds de Horseman - die als een rechtstreekse voorvader van de Dragoon beschouwd wordt. Voor de eerste beschrijving van de Dragoon moeten we wachten tot 1735, toen John Moore de Dragoon beschreef in zijn ‘Colombarium’.

Als we de Dragoons van nu bekijken met hun gestroomlijnde body’s en hun enorme snavel­volumes,                                                                            dan kunnen we ons niet meer voorstellen dat het uitgangs­materiaal zo totaal afwijkend was.                                                                                    De Dragoons van rond 1900 hadden een Carriërachtig type, met lange dunne halzen, spitse lange                                                                         snavels en Valkenet-achtige oogranden. Generaties van fokkers hebben hun hele fokkersleven eraan                                                                    besteed om de Dragoon te maken tot wat hij nu is. Eens te meer waren het de Engelse specialisten                                                                            die zowel bestek en bouwtekening leverden van wat zij als ideale Dragoon zagen.                                                                                     Oorspronkelijk kende men twee types: Het Londense en het Birmingham type. Het ‘Birmingham type’                                                                        was hoekiger in de kopbelijning, maar al snel gaf men de voorkeur aan het ‘Londense type’.                                                                              Behoudens enkele kleine detailaanpassingen is de Engelse standaardomschrijving in 100 jaar praktisch                                                                     niet veranderd.

Stand van het ras

De Dragoon is geen ras dat in grote aantallen wordt gefokt. Ook in Engeland, het land van herkomst,                                                                       zijn er nog maar een bescheiden aantal fokkers. In Duitsland ziet men nog steeds de meeste                                                                            Dragoons. In ons land kunnen we ze geregeld op de (lande­lijke) shows bewonderen. Bij de SPC                                                                           kennen we een aantal fokkers waarvan er slechts enkele tot de echte specialisten behoren. In de kleuren zien we hier de meeste dieren in de blauwgebanden, blauwgekrasten en de blauwschimmels; in mindere mate de roodzilvergebanden en de roodgekrasten.

De Dragoon is een uiterst vitaal en robuust ras dat zonder hulp van voedsterduiven probleemloos zijn eigen jongen grootbrengt.

Type en Stand

De Dragoon is een krachtige, middelgrote en diepgestelde duif. De borst wordt breed en vol verlangd. Borst en buik komen royaal voor en onder de vleugelbogen uit. Het meest opvallende is de vrij korte forse hals die vrijwel zonder versmalling in de stieren­nek overgaat. Mede door de opgerichte stand geeft deze hals­vorm de Dragoon dat gestroomlijnde uiterlijk dat we wel kennen van otters en robben.

De Dragoon heeft vrijwel alles vóór de benen, dit houdt automatisch in dat de benen ver naar achteren zijn geplaatst en dat we de achterpartij zo kort mogelijk wensen.

De stand van het lichaam is laag en licht afhellend, waarbij de staart de grond niet mag raken en de hals licht naar voren gestrekt is.

 

 

 

 

 

 

    

 

  

 

Prachtige kop van een zeer jonge Dragoon

Een hedendaagse topduivin, die aan alle belangrijke raskenmerken voldoet. Eigenaar D.C.J. van Doorn

 

 Kop

Deze is uniek in de duivenwereld, met name de kopdracht. Deze moet zo zijn dat de snavellijn licht naar boven wijst. De bena­ming hiervoor is de zgn. “sterrenkijker” - dit is één van de meest ras­typische eigen­schappen van de Dragoon. Dit moet men zien als ras­adel, en komt bij geen enkel ander ras voor. Verder willen we een vooral brede, licht gewelfde kop, naar de snavel toe wigvormig zonder kneep, de kopbelijning gerond met het hoogste punt boven de ogen, onopvallend overgaand in de zware, korte, dikke hals.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Standaard

2. Grote snavelwrat, alleen oude doffers. Lichte ring rond pupil.

3. Woekerende wrat, teveel onderwrat, te flets oog.

4. Teveel afstaande wrat.

5. Te vlakke kop, snavelstand te vlak, teveel achterhoofd.

6. Te hoge kop, te weinig achterhoofd, z.g. ‘appelkop’.

 

 

 

 

 

 

 

 

Snavel

Deze is zeer krachtig en moet vrij stomp zijn - de zgn. doossnavel, wat inhoud dat de boven- en ondersnavel van gelijke dikte (lees: substantie) zijn. Elke keer dat men een Dragoon keurt moet men zich verbazen over de met name zeer krachtige ondersnavel. Vooral deze ondersnavel met de juiste zware substantie wordt als rasadel gezien, en deze snavel moet uiteraard goed gesloten zijn. Dit gesloten zijn gaat niet vanzelf en de fokker moet hier goed op toezien en vrij regelmatig het hoornachtige gedeelte vaak iets conditioneren, om te zorgen dat de snavelhelften perfect op elkaar sluiten. De juiste snavelinplanting moet zijn dat de doorgetrokken snavellijn onder het oog door loopt.

Neusdoppen

Deze zijn ook uniek, met de rechte ribbeling in de lengterichting die regelmatig moet zijn, en van voor tot achter als lijntjes moeten lopen. Voor een goede structuur (lees: ribbeling) moet er wel een bepaalde lengte in de neusdoppen aanwezig zijn. Vanaf de snavelpunt moeten de neusdoppen langzaam en regelmatig oplopen maar zeker niet teveel; immers hoe groter en grover de neusdoppen zijn hoe moeilijker het wordt om de rechte ribbeling recht te houden. We zien vaak dat bij met name de doffers deze neusdoppen zwaarder worden, vooral met het vorderen van de leeftijd, en dat daarbij de mooie rechte ribbeling geheel vervaagt in een soort onwillekeurige kromme lijntjes. Vandaar dat de Dragoon ook meer een duivinnen ras is; bij deze laatste zijn en blijven de neusdoppen vaak niet zo fors als bij doffers, wat de rechte lijntjes/ribbeling gunstig beïnvloedt en deze ook met het ouder worden van de duivinnen binnen het aanvaardbare houdt.  Dit in tegenstelling tot de doffers, die al snel op een leeftijd komen dat ze door deze vervaagde ribbeling en grove neusdoppen, die deze rechte structuur ongunstig beïnvloedt, niet meer tentoonstellingswaardig zijn. Met deze wetenschap moeten we de doffers, die al vrij snel grovere neus­doppen krijgen, iets milder beoordelen voor wat betreft deze rechte lijntjes en als deze doffers een mooie regelmatige ribbeling laten zien, waarbij de rechte lijnen iets minder recht zijn, toch 96 punten geven, uiteraard als de overige raskenmerken aanwezig zijn.

De neusdoppen moeten verder glad en vast zijn zonder een opvallende midden­naad of grove oneffenheden, regelmatig dus.

Voor oudere Dragoons is een soort wratvorm aan de ondersnavel toegestaan, maar bij jonge Dragoons is dit niet gewenst.

Oogkleur

Dragoons met een donkere snavel behoren een fonkelende dieprode oogkleur te hebben. Deze robijnrode oogkleur kunnen we bij de verdunde kleurslagen niet eisen.

Bij de gelen en blauwzilvers moeten we ons met een oranjerode iris tevreden stellen. De witten tenslotte hebben een donkere oogkleur. Wat betreft oogkleuren vervullen de Dragoons een voorbeeldfunctie, deze geven zelden aanleiding tot klachten.

Oogranden

De vorm van de oogranden bij de Dragoons is zeer rastypisch. Aan de voor- en bovenzijde van de ogen zijn de randen vrij breed (drierijig) maar richting onder- en achterzijde worden ze steeds smaller. Vooral bij oudere doffers, na een jaar ziet men vaak te grove oogranden; hier dient de keurmeester rekening mee te houden. Zo gauw ze boven de schedel uitkomen of vastgroeien aan de neuswratten moet dat streng bestraft wor­den. De kleur van de oogranden is net zo belangrijk als hun vorm. Een tweekleurige oogrand degradeert zelfs de beste Dragoon. Vaak is dit het gevolg van het infokken van verdundkleurigen. Bij het samenstellen van fokkop­pels moet hier terdege op gelet worden. Bij de kleurslagen zwart, blauwgeband en gekrast, blauwschimmel, roodzilver en roodgekrast moeten de oogranden intensief blauwgrijs (pruimen­blauw) zijn. Bij de overige (verdunde) kleurslagen en tevens bij de witten en de sierduifroden wordt een vleeskleurige oogrand verlangd.

 

                       1.Samengroeiende wrat met te grove oogrand.

                   2.Rasvreemde oogrand.

                   3.Gezwollen oogrand.

                  4.Zogenaamd ‘los oog’.

                  5.Uitgezakte oogrand.

                  6.Binnenste oogrand onregelmatig.

 

Kleurslagen

In de standaard staat precies aangegeven welke kleurslagen erkend zijn, met uitzondering van bont zijn dat vrijwel alle postduivenkleuren. Vooral de tekening bij de blauwkrassen vormde in het verleden een punt van discussie. Deze tekening is genetisch niet zuiver vast te leggen. Zolang de banden duidelijk zichtbaar zijn is het niet belangrijk of de schildteke­ning wat donkerder of lichter uitvalt. Een ander heet hangij­zer is de kleur van de oogranden bij roodzilver en roodge­krast. Voor beide kleurslagen worden donkere snavels en prui­menblauwe oogranden geëist. Bij de beoordeling komen kleur en tekening op de allerlaatste plaats, toch worden hieraan wel degelijk vrij hoge eisen gesteld.

 

 

 

 

                                                                                                      Prima krastekening bij een jonge Dragoon.

 

 

 

 

 Samenvattend, waar moeten we op letten:

Het type - we zien nogal eens Dragoons die aan de kleine kant zijn, dus te weinig borst voor de vleugelbogen en te smal van borst. Ondanks de forse korte hals moet een Dragoon zich wel tonen en niet zo in elkaar zitten dat men zich afvraagt of die wel een hals heeft en het net is of er enkel een kop boven het lichaam uit steekt. Nog erger is een Dragoon met een lange slanke hals; dit is ras oneigen en zal op de show door de keurmeester negatief beoordeeld worden.

De stand/houding moet opgericht zijn, zodat de staart de grond niet raakt. Soms zien we dat een Dragoon zó opgericht staat dat hij op de staart rust. Dit is zeker niet gewenst; als we de duif een tweede kans geven en hij doet dat weer, zal de keurmeester punten aftrekken. Zo’n duif die dat regelmatig doet, moeten we zeker niet in ons fokprogramma op nemen.

Ook is het niet gewenst dat een Dragoon hoog op de benen staat, eerder wat lager; een beenlengte tussen middelmatig en kort in is ideaal.

De kopdracht, de zo genaamde ‘sterrenkijker’: de kopdracht moet omhoog gericht zijn. Dit is absolute rasadel en moet bij elke Dragoon aanwezig zijn, evenals de juiste ribbeling in de neusdoppen en de korte zware hals die naar boven toe nauwelijks versmalt; deze punten maken de Dragoon en tekortkomingen daarin worden niet getolereerd.

Ook de snavel is van groot belang. Een mindere substantie - vooral vaak voorkomend in de ondersnavel, moet ook in mindering van punten tot              uit drukking komen.

Zoals al min of meer besproken, horen neusdoppen die te zwaar zijn en oogranden die boven de kop uitsteken en veel te groot zijn, niet op een tentoonstelling thuis. De liefhebber moet zo verstandig zijn om deze Dragoons niet in te zenden op de shows.