Naar DSP                Geschiedenis en veranderingen van de Duitse Schoonheidspostduif

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan Jacobs                                   

Het is inmiddels alweer meer dan 20 jaren geleden (voorjaar 1984) dat in Duitsland het nieuwe ideaalbeeld van de Duitse Schoonheidspostduif werd gepubliceerd. Vooral de Zuid-Duitse fokkers hebben zich daar destijds enorm voor ingezet. In Duitsland was er onder de fokkers aanvankelijk erg veel tegenstand tegen de nieuwe standaardafbeelding. Met vond vooral het type veel te extreem (te lange hals en benen) en de gewenste kopdracht te veel afgebogen. Nu kan men zich niet meer voorstellen  dat het voorgestelde nieuwe type destijds op zoveel tegenstand stuitte. Ook pertinente tegenstanders wisten maar al te goed dat op de shows de prijzen gewonnen worden door elegante en hooggestelde dieren. In het vroegere Oost-Duitsland bleef men wat langer vasthouden aan het oude type. Deze waren lager gesteld met halzen die korter en dikker waren. Men selecteerde daar vooral op vorm en structuur van de neuswratten, daarnaast werden de hoogste eisen gesteld aan vulling en volume van kop en snavel. Na de val van de Berlijnse muur en het samengaan van de beide "Sondervereinen" showden de Oost-Duitse fokkers hun duiven ook op de "Haupt-Sonderschauen". Het is verbazingwekkend hoe snel zij er in slaagden het type van hun duiven aan te passen. Type en kopbelijning zijn natuurlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Laaggestelde compacte duiven met korte dikke halzen hebben haast zonder uitzondering ook korte koppen met veel breedte en vulling in de voorkop. In de lengte van de voorkop laten ze het veelal zitten. Voor de fok zijn dergelijke duiven nog steeds onmisbaar. Met alleen selecteren op elegantie van type en lengte in voorkop degenereert het ras binnen enkele generaties tot een soort tuimelaar. De selectie moet men dus richten op behoud van volume in snavel en voorkop. Het Duitse ideaalbeeld is in realiteit natuurlijk nooit helemaal te verwezenlijken. Lang in hals, benen en voorkop en kort in achterpartij gaat nu eenmaal niet samen. Noodgedwongen zal men een compromis moeten aanvaarden. Met de duimstok is zo iets niet aan te geven. Het geoefende oog van fokker en keurmeester bepaald of het geheel kan bekoren.

Onlangs vond ik een kopie van een artikeltje dat ik in 1984 naar aanleiding van het toen nog nieuwe ideaalbeeld geschreven heb. Wat ik destijds schreef geldt nog vrijwel onveranderd. Sindsdien is er een nieuwe generatie fokkers van D.S.P. bijgekomen. Reden genoeg om dat oude artikeltje, iets aangepast, hier nogmaals te laten volgen.

Bij vergelijking van het oude Duitse ideaalbeeld (uit 1966) met het nieuwe (van 1984) vinden we de volgende verschillen: De hals is slanker en toont daardoor langer en wordt verticale gedragen, vooral de keeluitsnijding is mooi scherp, de borst komt nog iets geprononceerder voor de vleugelbogen uit, met meer lengte in de voorkop (bedoeld wordt de afstand tussen oog en mondhoek) vooral de belijning van de bekspleet is ingrijpend veranderd; was hij vroeger vrijwel recht getekend nu loopt hij mooi gebogen vrijwel evenwijdig met de bovenkop. De kopdracht was in het oude ideaalbeeld nog vrijwel horizontaal nu is die duidelijk benedenwaarts gericht. Ook de oogrand is nog iets smaller getekend. Mede door de iets hoger gedragen vleugels lijken de benen langer. Het heeft geen zin om de Duitse standaard letterlijk te vertalen, het gaat toch vooral om de interpretatie. Zowel in Duitsland als in Nederland komen type en stand bij de beoordeling voor kop en snavel. Dat wil beslist niet zeggen dat de kopbelijning minder belangrijk is dan type en stand. Bij de beoordeling van het type dient men altijd uit te gaan van de harmonie van het geheel, op een forse doffer kun je geen super slank halsje verwachten.

Dieren van een iets meer dan gemiddelde grootte  voldoen als showdier het best. De benen royaal middenlang en heel licht gehoekt, de borst iets voor de vleugelbogen uitkomende, de hals eveneens "middenlang" (dus beslist niet te kort) en slank. Vooral een scherpe keeluitsnijding is voor een juiste kopbelijning zeer belangrijk. Met een slanke hals wordt een hals bedoeld die mooi vol uit de borst komt en naar de kop toe snel in doorsnede afneemt. Een strakke bevedering kan veel bijdragen aan die indruk van slank zijn. Voor het type is het zeer belangrijk dat de hals echt verticaal gedragen wordt, iedere aanleg tot hengstennek, volle keel of wam moet streng bestraft worden. De vleugels verlangen we mooi hoog gedragen zodat de rug goed afgedekt wordt.

De iets afstaande vleugelbogen die een aantal jaren geleden nog verlangd werden zien we liever niet meer. Bij zeer strak bevederde duiven zijn de vleugelbogen ook aan de voorzijde zichtbaar, dit mogen we niet bestraffen. Maar als de vleugelbogen door de borstveren bedekt worden heeft dat de voorkeur. De achterpartij zo kort mogelijk, omdat dit een kwestie van harmonie is kan geen exacte maat worden aangegeven. Een duimbreed langer dan de vleugeleinden is een goed uitgangspunt maar bij veel duiven nog een utopie. Te laag gestelde duiven lijken haast altijd te lang.

Aan de stand doen we geen concessies, van geen enkele duif kan men verlangen dat hij 24 uur per dag de door ons gewenste horizontale stand aanneemt maar dieren die alleen met behulp van de keurstok daartoe gedwongen kunnen worden hebben op een show niets te zoeken.

De omschrijving van de kopbelijning in de standaard is niet veranderd. Toch zijn die superbrede voorkoppen van de shows verdwenen. Voor goed gevormde lange neuswratten moet er ook voldoende lengte in de voorkop zijn, bij die extra brede koppen ontbreekt die veelal.

We verlangen nu koppen met een behoorlijke lengte in de voorkop, goed afgebogen met het hoogste punt van de schedel boven de ogen en vooral de achterkop mooi droog en afgerond in de nek overgaande. Van de zijkant gezien vormt de bovenbelijning een duidelijke ononderbroken booglijn tussen snavelpunt en schedel. Het oog moet zo geplaatst zijn dat er een behoorlijke dekking boven de ogen is. Een krachtige snavelpartij is vooral voor fokdieren een absolute vereiste. Te fijne ondersnavels zijn ook bij showdieren onacceptabel.

De kopdracht is eveneens zeer belangrijk bij een DSP  Te veel afgebogen  "laagzichtig" ziet men steeds minder.  Toch moeten we ons blijven hoeden voor teveel afbuiging dit is rasvreemd en doet aan Neurenberger Bagadetten denken.

Het oog wordt rond verlangd met een heel smal oograndje (hoe smaller hoe beter). De kleur van de oogrand is aangepast aan de veerkleur. Bij zwart en donker wordt bijvoorbeeld een grijs oograndje gewenst. Dit is vrijwel niet te verwezenlijken, bij deze kleurslagen zullen we een naar wit neigende oogrand moeten accepteren. Rode, gele of aangelopen oogranden behoren tot de ernstige fouten en moeten streng bestraft worden. Vooral bij de witte kleurslag zien we vaak dat de veergroei, voornamelijk aan de onderzijde, niet helemaal bij de oogrand aansluit dit is foeilelijk en kost minstens een predikaat. Dit moet wel in de kooi al vastgesteld worden, eenmaal in de hand genomen vertonen de meeste dieren dit euvel.

Behalve bij de witten en aan de kop bonten die een donker oog moeten hebben verlangen we bij de overige kleurslagen een kersen- tot kastanjerood oog. Vooral bij de gelen is dit vrijwel niet te realiseren. Te donkere, gele of parelkleurige ogen moeten als een ernstige fout worden gezien.

Alleen aan de neuswratten zou men een heel boek kunnen wijden. Hierbij gaat het om vorm en structuur. De wratstructuur moet zo glad mogelijk zijn, iedere vorm van grofheid of ribbeling  moet streng worden bestraft. Ook het ontbreken van poeder bij de snavelpunt kost minstens een predikaat. Wat de vorm betreft: de wratten moeten zo lang mogelijk zijn, dus vrijwel bij de snavelpunt beginnen en doorlopen tot aan het begin van de bekopening. De bovenzijde van de wratten, dus bij de veeraansluiting verlangen we hartvormig (dus zwak ingesneden) De kopbelijning zelf mag door de wratten op geen enkele wijze onderbroken worden er is geen ander ras waaraan op dit punt hogere eisen gesteld worden. Als ideaal gelden wratten zonder middenscheiding. Bij de huidige stand van het ras is een aanduiding van een  middenscheiding nog steeds geoorloofd en mits aan alle andere eisen wordt voldaan  kunnen deze dieren nog altijd het predikaat F. behalen.

Een te grove middenscheiding waarbij de snavelrug zichtbaar wordt reduceert het predikaat tot onvoldoende. Ook een te diep ingesneden wrat, een opgestulpte wrat (een wrat die bij de veeraansluiting een verhoogde rand vertoond) een blazige wrat (dit zijn wratten die vooral zijdelings de kopbelijning. verstoren) of de aanleg van een 3e wrat (een klein driehoekig wratje bij de snavelpunt) allemaal fouten die sterk vererven, het predikaat G. is dan het hoogst haalbare.

Hoewel kleur en tekening bij de beoordeling van de D.S.P. op de laatste plaats komen worden de daaraan te stellen eisen toch steeds hoger. Dieren met roest in de banden of gekleurde dieren met witte ruggen zijn met een G. dik beloond. Maar dieren met bijvoorbeeld een wat open krastekening kunnen nog altijd het hoogste predikaat halen.

Een gekleurde nagel of een aangelopen snavel bij de witten telt als een  grote fout, ook 1 of meer witte nagels bij een gekleurd dier wordt niet toegestaan.