Naar DSP                 Duiste Schoonheidspostduif anno 2018

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rond 1900 begonnen in Duitsland enkele fokkers zich toe te leggen op het fokken van schoonheidspostduiven, die zowel voor de tentoonstellingskooi als voor de reismand gebruikt konden worden. Dit lukte tot het moment dat men vooral Show-homer en meeuwtjes in ging kruisen. In de loop der jaren volgden dan nog Show Antwerp, Dragoon, Modena, tuimelaars enzovoort. Om de fokrichting in goede banen te leiden, werd in 1908 in Leipzig Der Verein Deutscher Ausstellungsbrieftaubenzüchter opgericht. Al snel volgden in andere delen van Duitsland opgerichte speciaalclubs. De ontwikkeling van de Schoonheidspostduif werd door de 1e Wereldoorlog onderbroken, maar na afloop van de 1e wereldoorlog werd de draad al weer snel opgepakt. Tot 1920 was het verfijnen van de kop het hoofddoel, daarna gingen individuele fokkers andere rassen inkruisen, iets wat niet door een speciaalclub werd gestuurd of begeleid. Op dat moment bestond het gevaar dat de eenheid in fokrichting uit elkaar zou vallen, daarom werd door initiatieven van Otto Herbst  in 1921 de Verband Deutscher Schonheitsbrieftaubenzüchter Vereine (Bond van Duitse Schoonheidspostduivenfokkers Verenigingen) opgericht. Deze bond had in 1925 al meer dan 2000 leden.

 

De ontwikkeling van de Schonheitsbrieftaube ging door tot de jaren van Het Derde Rijk. In die tijd werd ook de naam gewijzigd van Schonheitsbrieftaube in Schautaube omdat de Bond van Duitse Postduivenliefhebbers de naam Schonheitsbrieftaube niet meer toestond. In het midden van de jaren dertig ontstond een stagnatie in de veredeling omdat door het regiem werd opgelegd dat het ras vooral ook nutswaarde moest hebben. Het gewicht van jonge duiven werd gesteld op 500 gram. Daardoor werd de Schoonheidspostduif niet alleen zwaarder maar ook groter en liep het vliegen ook achteruit. In de 2e wereldoorlog hield men zich er alleen maar mee bezig om zoveel mogelijk duiven voor een nieuw begin veilig te stellen. Direct na de het einde van de 2e wereldoorlog werd de draad weer opgepakt. Al in 1947 werden weer shows gehouden met meer dan 1100 Duitse Schoonheidspostduiven. In Oost Duitsland werd de Sonderzuchtgemeinschaft Deutscher Schautauben opgericht en in West Duitsland ging de Verband der Zuchter Deutscher Schautauben (Bond van Fokkers van Duitse Schoonheidspostduiven), met 31 afdelingen verspreid over het hele land, door. In 1948 werd een standaard opgesteld, die in grote lijnen vandaag de dag nog van kracht is. Na de hereniging van de beide Duitslanden ontstond weer een nieuwe situatie. In de ogen van de West-Duitse fokkers hadden de Oost-Duitsers een ouderwets type gefokt met zware snavels, die daarbij nog eens te diep stonden en te zware halzen bezaten. De Oost-Duitse fokkers konden niets anders dan de West-Duitse fokrichting gaan volgen. Veel dieren werden geruild omdat men in het westen veel waarde hechte aan de snavelsubstantie van de Oost-Duitse dieren. In een paar jaar tijd had men al een overeenstemming in type bereikt.

Dit hield in dat men een middelgrote, harmonisch gebouwde korte en krachtige duif, met horizontale stand en in alle belijningen vloeiende vormduif wenste.

De middelhoge stand en horizontale houding, de middelmatige grootte met daarbij de zich naar boven versmallende hals met diepe keeluitsnijding bepalen, samen met het fraaie kopprofiel en de sterke snavel met zijn gladde wratstructuur, een groot deel van de rasadel van de Duitse Schoonheidspostduif.

Omdat de Duitse Schoonheidspostduif een vormduif is, staat en valt de waarde van de duif met het type. Het type is kort en krachtig, wigvormig met een bijna zuiver horizontale stand. Verticaal gedragen hals. Vloeiend in alle belijningen. Het belangrijkste zijn de verhoudingen waarin alle onderdelen op elkaar zijn afgestemd. Hals, lichaam en benen maken ieder  een derde uit  3 van de hoogte van de duif. Een Duitse Schoonheidspostduif met de juiste verhoudingen past in een cirkel met als raakpunten de schedel, de voetzolen en het uiteinde van de staart.

       

                                            

 

 

 

 

 

 

De ontwikkeling van de kop van Duitse Schoonheidspostduif heeft in de loop der tijd nogal wat verandering ondergaan, zo zou de ideale kopvorm uit 1930 nu absoluut niet meer mee kunnen komen.

Belangrijk aan de kop is de regelmatige schedelbelijning bij een middelmatige lengte in de voorkop. Te weinig lengte in de voorkop geeft al snel aanleiding tot een zg. ramskop, terwijl veel lengte in de voorkop meestal gaat gepaard aan een vlakke schedelbelijning. Het hoogste punt van de kopbelijning ligt boven het oog. De kopbelijning gaat met een vloeiende ronding over in de achterhals.

Afbeelding met tekst

Beschrijving is gegenereerd met zeer hoge betrouwbaarheidSnavelpunt, snavel, neusdoppen, voorkop, schedel en achterkop moeten een ononderbroken belijning vormen die nergens wordt verstoord door een verhoging of inzinking. Het profiel moet er uitzien als was het geslepen en gepolijst. Er moet worden gelet op de verhouding tussen gezicht en snavel. Beide moeten even lang zijn, waarmee wordt bedoeld dat de afstand van het midden van de pupil tot de mondhoek gelijk is aan de afstand van mondhoek tot snavelpunt. Boven en ondersnavel, van de sterke en stompe snavel, moeten even sterk zijn, waarbij de snavellijn ligt gebogen zal zijn. Wanneer de snavel sterker gebogen is dan de schedelbelijning geeft dit weer aanleiding tot een “ramskop” , is hij echter minder gebogen dan noemen we dit stijf.

Fijne, gladde en strak aanliggende neusdoppen dragen niet onbelangrijk bij in de rasadel van de Duitser. De neusdoppen zijn lang en wit bepoederd en iets hartvormig ingesneden. Een scheidingslijn in het midden van de wrat wordt nog geaccepteerd, maar gestreefd wordt naar een ongedeelde wrat, die niet alleen mooier is, maar ook langer mooi blijft. Toont de wrat twee scheidingslijnen, dan ligt de snavelrug open en wordt de duif hier op teruggezet in punten.

De oogkleur is diep intensief donkerrood. Bij de beoordeling van de oogkleur moet rekening worden gehouden met de omstandigheden, bijvoorbeeld gebeurt dit in vol zonlicht of in een donkere tentoonstellingshal. Bij het beoordelen van jonge dieren, vooral zilvers, rode en donkere dieren, is de nodige voorzichtigheid geboden. Bij jonge zilvers komen oranjerode en zelfs gele ogen voor, deze dieren kunnen echter na de rui het mooiste rood tonen. Bij rode en donkere dieren kunnen kastanjebruine ogen na het volledig uitruien, nog intensief rood worden. De witten hebben donkere ogen, terwijl bonten zowel donkere ogen als rode ogen mogen hebben, maar niet aan een zijde donker en de andere zijde rood.

De oogrand is smal, fijn van structuur en is lichtgrijs tot witachtig al naar gelang de veerkleur. De oogrand mag ook weer niet zo fijn zijn dat hij geheel verdwijnt, de kop krijgt dan een roofvogelachtige uitdrukking. Wanneer de oogrand niet goed is omsloten door de bevedering, treedt dit bijna altijd het duidelijkst op aan de onderkant van het oog. Dit is een lelijk gezicht.

De vleugels met brede en goed gesloten pennen, staan aan de vleugelboegen iets af. De normaal gedragen vleugels dekken de rug goed af. Voor de vleugelboegen zal nog iets van de borstdiepte zijn te zien. De wens om borstdiepte wordt soms overdreven, veel borstdiepte gaat ten koste van de elegantie. De staart is kort en smal, iets (duimbreedte) voorbij het uiteinde van de slagpennen stekend en wordt horizontaal gedragen.

Kleurslagen

Wit, zwart, dun, rood en geel. Donker, dominant rood, dominant geel.

Blauw zwart geband, roodzilver geband, blauwzilver donkergeband, geelzilver geband, meellicht geband. blauw witgeband. lichtblauw witgeband.

Blauw ongeband, blauwzilver ongeband, meellicht ongeband.

Blauw-, roodzilver-, blauwzilver- en geelzilver gekrast, (meellicht geband) geleeuwerikt, blauw donkergekrast, blauw donkergezoomd,

Blauw-,roodzilver-,blauwzilver- en geelzilver schimmel.

Zwart-, blauw-, rood- en geel donkergetijgerd. Kleuren genoeg dus en er komen nog geregeld nieuwe kleurslagen bij. Hoewel geen kleurduif, wordt toch nog wel enige eisen aan de kleur gesteld, zo zullen dieren met roest in de banden, volgekleurde dieren met een witte rug en onzuivere kleuren teruggezet worden.

Alle roek-kleurigen zuiver en gelijkmatig gekleurd, ook aan de buik, op de rug en in de dijen. Banden goed gescheiden en goed doorlopend en intensief van kleur.

Bij zwart zal rekening moeten worden gehouden dat het zwart in de postduiven rassen minder intensief is dan bij bijvoorbeeld kleurduiven. Doorschemerende banden worden echter minder op prijs gesteld. Zwart is optisch vaak ook nog bedrieglijk, zo zal zwart in het horizontale vlak langer lijken dan in werkelijkheid en in het verticale vlak is dit weer precies andersom. Dun is de verdunde kleur van zwart en toont een meer of minder gelijkmatige bruinachtige kleur.

Rode- en dominant gele zijn aan de kop, hals, borst en schilden rood respectievelijk geel. Buikkleur meer of minder wat lichter, staart en slagpennen zijn licht, met of zonder pigment van de grondkleur. De meellichte en geleeuwerikten hebben een okerkleurige borst.

De blauwzilvers mogen geen okerkleur op de borst vertonen.

Donkergetijgerd is het mooist wanneer, op een gekleurde ondergrond een regelmatige en gelijkmatige witte tekening wordt vertoont. De staart en de buitenste 7 slagpennen zijn daarbij gekleurd.

De gekrasten tonen een zo regelmatig mogelijke krastekening.

De bonten in alle erkende kleurslagen tonen platen- of vlekkenbont het liefst in een verhouding van 50:50. De ondergrens ligt bij 30:70. Duiven die maar enkele witte of gekleurde veren hebben mogen nog voor getijgerd nog voor bont doorgaan.

Bij de schimmels moeten de banden zichtbaar zijn.

Lichtblauwe met witte banden (dominant opaal) hebben licht uitlopende slagpennen en een lichte staartband. Duivinnen in deze kleurslag zijn wat donkerder dan de doffers. De vleugelbanden zonder zoom.  

Ernstige fouten

Te plomp, te groot, te lang. te klein; stijve, te lage, te hoge of afhellende stand; te smalle of vlakke borst; hoekige kop. slecht gevulde voorkop (kneep); te weinig schedelhoogte, platte kop, snaveldruk zwakke of spitse navel. niet correct gesloten snavel, boven het oog lopende verlengde snavellijn; te korte, opgeblazen. ruwe, gedrukte of op de snavelrug doorgaand gedeelde neusdoppen; afwijkende oogkleur; donkere, rossige. gelige, ovale of grove oogranden; gebrekkige bevedering rond de oogranden; te dikke hals, keelwam, halsknobbel jabot.

Beoordeling

Algemeen voorkomen - Type en stand - Kop en snavel - Hals-en beenlengte - Kleur - Oogkleur.

 

 Willem de Wal