Voortplanting en vererving bij duiven
Door Jan Jacobs
|
Voorwoord Als er over kleurvererving bij duiven geschreven wordt worden er vaak schema’s of , voor de doorsnee lezer, onbekende afkortingen en formules gebruikt. Ik zal proberen dit te vermijden en op eenvoudige wijze de grondbeginselen van de kleurvererving trachten uit te leggen. Voor een goed begrip hiervan is het helaas noodzakelijk enkele, nogal taaie, pagina’s over vererving in het algemeen en alles wat er omheen hangt te lezen. Het feitelijke gedeelte over de kleurvererving sluit, naar ik hoop, wat beter aan bij de interesse van de meeste duivenfokkers. Namen en begrippen Als men het uiterlijk van een jonge duif vergelijkt met dat van zijn ouders, kan men vaststellen dat er overeenkomsten en verschillen zijn. Het uiterlijk van de jongen wordt bepaald door de erffactoren die zij van hun ouders hebben meegekregen èn van de omstandigheden waaronder ze zijn opgegroeid. De gezamenlijke erffactoren (genen) van een organisme worden aangeduid met het woord genotype. Bij de erfelijkheidsleer gaat men er meestal vanuit dat genotype en milieu samen het fenotype vormen. Als we het over kleurvererving bij duiven hebben bedoelen we daar wat anders mee. Achter het
uiterlijk (het fenotype) van een dominantrode doffer kan als tweede
erffactor de kleur zwart schuilgaan. De wetenschap die zich met dit soort zaken
bezig houdt noemt men genetica. Gregor Mendel In 1865 publiceerde de Augustijner monnik Gregor Mendel de resultaten van acht jaar onderzoek. Met de conclusies uit dit onderzoek, uitgevoerd op erwtenplanten, bewees hij een aantal wetmatigheden. Voor ons als duivenfokkers is belangrijk dat hij het bewijs leverde dat overheersende (dominante) erffactoren de terugtredende (recessieve) erffactoren wel verdringen (zich beletten te manifesteren) maar dat deze recessieve erffactoren niet verloren gaan, maar in het fenotype voor het oog onzichtbaar toch in de erfmassa aanwezig blijven. Vooral dit niet verloren gaan van recessieve erffactoren is erg belangrijk. Als een der ouders zo’n recessieve erffactor bezit kan dit bij de nafok weer tot uiting komen. Bij het gedeelte over kleurvererving ga ik daar wat verder op in. Voortplanting Het levend organisme (plant en dier) onderscheidt zich van de dode materie door de eigenschap dat het zich kan vermenigvuldigen. Deze vermenigvuldiging of voortplanting kan zowel ongeslachtelijk (veel plantensoorten) als geslachtelijk geschieden. Bij hogere diersoorten geschiedt de voortplanting uitsluitend geslachtelijk door middel van geslachtscellen of gameten. Een mannelijk dier vormt in zijn geslachtsorganen de mannelijke geslachts- of zaadcellen en het vrouwelijk dier vormt in haar geslachtsorganen de vrouwelijke geslachts- of eicellen. Bij de paring worden de zaad- cellen in het vrouwelijk geslachtsapparaat gebracht. Een zaadcel en een eicel versmelten dan tot een nieuwe cel (de bevruchte eicel of Zygote.) Hiermede is de bevruchting tot stand gekomen. Bij vogels (duiven) vindt de ontwikkeling van Zygote tot compleet individu (door middel van celdelingen) voor het grootste gedeelte plaats in het ei. Het dierlijk lichaam Het dierlijk lichaam is opgebouwd uit miljoenen cellen. Zonder micros- coop zijn deze lichaamscellen niet zichtbaar. Microscopisch onderzoek heeft aangetoond dat dierlijke lichaamscellen bestaan uit een visceuse vloeistof (Cytoplasma) omgeven door een membraam. In deze celvloei- stof draaien een aantal grotere en kleinere lichaampjes. Het grootste en meest belangrijkste hiervan is de kern (ook deze kern is weer door een eigen membraan omgeven.) Na kleuring kan men in die kern met behulp van een microscoop een netwerk van gekleurde korreltjes waarnemen. Een duidelijke structuur is echter pas zichtbaar bij een delende kern. In de kern komen een aantal staafvormige lichaampjes voor. Met bepaalde kleurstoffen kan men die staafvormige lichaampjes zeer sterk kleuren. Dit zijn de kernstaafjes of chromosomen. Deze chromosomen zijn opgebouwd uit eiwitten en nucleïnezuren. Het belangrijkste, en ook het meest bekendste chromosoom hier van is het Desoxyribo-nucleinezuur afgekort tot DNA Het DNA wordt als de drager van de erfelijke eigenschappen beschouwd. De aanleg van de erfelijke eigenschappen ligt dan in de chromosomen. De chromosomen komen steeds in paren voor; de beide chromosomen van het zelfde paar zijn in vorm en afmeting gelijk en worden homologe chromosomen genoemd. Het aantal paren chromosomen is in iedere lichaamscel gelijk en dit aantal is voor een bepaalde diersoort constant. De duif bijvoorbeeld heeft 36 paar chromosomen. In de genetica gaat men er van uit dat niet de eigenschappen als zodanig worden overgeërfd doch de aanleg of grondslag voor deze eigenschappen. In ieder individu komen de erfelijke grondslagen van een eigenschap paarsgewijze voor, alleen in de geslachtscellen in enkelvoud. Het is bekend dat de erfelijke grondslagen van een eigenschap zich in de chromosomen bevinden. Een grondslag van een eigenschap heet Gen of Allel, de beide grondslagen van een paar vormen een genen- of een allellenpaar. Gemiddeld worden er ongeveer even veel mannelijke als vrouwelijke nakomelingen geboren. Waardoor wordt nu het geslacht van een individu bepaald ? Hiervoor blijkt één bepaald paar chromosomen (de geslachtschromosomen) verantwoordelijk te zijn. Bij duivinnen zijn de geslachtschromosomen wel homoloog doch niet precies gelijk in vorm. Het ene chromosoom noemt men het X chromosoom en zijn partner het Y chromosoom. Bij de doffers zijn de beide chromosomen van het paar wel precies gelijk; beide zijn namelijk X chromosomen. Duivinnen vormen dus twee eicellen, de ene helft heeft het X chromosoom en de andere bezit het Y chromosoom. Doffers vormen maar één type zaadcellen, allen hebben het X chromosoom. Als de X eicel bevrucht wordt door de X zaadcel dan wordt de nakomeling een doffertje. Als de Y eicel bevrucht wordt door de X zaadcel dan wordt de nakomeling natuurlijk een duivin. Het geslacht van de nakomeling wordt dus
bepaald door het type eicel dat zich met de zaadcel verenigd. Kleurvererving De Nijmeegse dierenarts Dr. C.J.A.C. Bol was in Nederland een der eersten die op wetenschappelijk niveau onderzoek verrichtte naar de vererving van veerpatronen. Reeds in 1926 publiceerde hij o.a. over de dominantie van de schimmelfactor ten opzichte van blauw zwartgeband. Het is nu haast niet meer voor te stellen maar zelfs tot na de tweede wereldoorlog dacht het gros der duivenfokkers dat de vererving van veerkleuren en veerpatronen op toeval berustte. Om het nu volgende goed te begrijpen is het belangrijk om het verschil tussen de grondkleuren (rood, zwart of bruin enz.) en de veerpatronen zoals geband, gekrast, gezoomd enz. duidelijk voor ogen te houden. In de literatuur worden deze veerpatronen ook wel structuurkleuren genoemd om aan te geven dat de pigment in de veren volgens een bepaalde structuur of tekening zichtbaar is. Deze veerpatronen vererven niet geslachtsgebonden in tegenstelling tot de vererving van de grond- kleuren die wel geslachtsgebonden vererven. De vererving van de veer- patronen is echter wel aan bepaalde wetten onderhevig. Meerdere erffactoren spelen een rol. Voor fokzuiverheid is vereist dat de erfinformatie dubbel aanwezig is. De wijze van vererving der diverse veerpatronen is echter voor alle grondkleuren gelijk. Uitgaande van de grondkleur zwart kunnen we het volgende rijtje van dominantie opstellen: Bij de hierna volgende voorbeelden gaan we er gemakshalve van uit dat de doffers niet de geslachtsgebonden factor voor verdunning bezitten. Blauw ongeband ook wel holblauw genoemd: onderling gepaard brengen die alleen maar blauw ongeband. Het veerpatroon ongeband is recessief ten opzichte van alle andere veerpatronen en zijn voor dit veerpatroon dus altijd fokzuiver. Blauw geband, onderling gepaard (mits fokzuiver) kunnen daar alleen blauw gebanden uit vallen. Als beide partners fokonzuiver zijn en de factor voor ongeband voeren kunnen er ook ongebanden uit vallen. Let goed op ! Uit twee gebanden kunnen nooit of te nimmer gekrasten vallen. Indien dit wel het geval is kunt u er zeker van zijn dat er een vreemdparing heeft plaatsgevonden. Donkerkras ook wel zwartkras genoemd, onderling gepaard brengen (mits fokzuiver) alleen zwartkrassen, indien niet fokzuiver kunnen er ook blauwkrassen, blauwgebanden of blauwen zonder banden uit vallen. Donker ook wel T.patroon genoemd, is maar bij enkele rassen erkend, onderling gepaard kan men (mits fokzuiver) alleen donkeren verwachten. Als ze niet fokzuiver zijn kan men er donkerkrassen, blauwkrassen, blauwen met banden en blauwen zonder banden uit fokken. Zwart ook wel roekkleurig genoemd, vererft door de zogenaamde S.= (spreidingsfactor) iets anders dan de hierboven genoemde veerpatronen. De roekkleur bij zwart is altijd gekoppeld aan de spreidingsfactor. Zelfs bij enkelvoudige aanwezigheid van de S.factor is hij al dominant over de andere veerpatronen. Deze dominantie is soms niet volkomen. Bij zwarten met maar één gen voor de S.factor is de kleur vaak wat grauw en kan men op de schilden nog vaag banden of krastekening waarnemen. Indien de S.factor in tweevoud aanwezig is bedekt hij alle andere veerpatronen volkomen, deze veerpatronen zijn echter in de erfmassa nog wel degelijk aanwezig. Dit is eenvoudig vast te stellen door een zwarte te verparen met een blauwe zonder banden. In de F.1 kan men slecht doorgekleurde zwarten verwachten. Onderling gepaard brengen deze dieren in de F.2 gekrasten of gebanden. Omdat deze erffactor bij de ongebande blauwe ontbrak komt die aanleg voor gekrast of geband dus van de zwarte partner. Als wij een blauw gebande duif verparen met een fokzuivere blauwkras, kunnen we omdat gekrast dominant is over geband alleen maar gekrasten verwachten. Jammer genoeg komen fokzuivere krassen vrijwel niet voor. Praktisch altijd bezitten ze de factor voor geband. Aan het uiterlijk (het fenotype) is dat niet vast te stellen, alleen door proefparingen kan men er achter komen. Alles wat we hier geschreven hebben over de diverse veerpatronen bij een zwarte grondkleur gaat volledig op voor de grondkleuren bruin en het dominante-(postduivenrood) het zogenaamde sierduivenrood vormt op dit alles een uitzondering bij de beschrijving van de vererving van de diverse kleuren kom ik daar nog uitgebreid op terug. Vererving van de grondkleuren Bij duiven hebben we in principe maar met drie grondkleurkleuren te doen, alle andere kleuren zijn hiervan afgeleid. Postduivenrood Postduivenrood is dominant (overheersend) over alle andere kleuren. Postduivenrood is te herkennen aan de lichtere kleur van staart en slagpennen in vergelijking met de schildkleur. Zwart Zwart vererft recessief (terugtredend) ten opzichte van postduivenrood maar is dominant over bruin en sierduivenrood. Bruin Bruin vererft recessief ten opzichte van postduivenrood en zwart, maar (mits fokzuiver) dominant over sierduivenrood. Sierduivenrood Sierduivenrood is herkenbaar doordat staart en slagpennen dezelfde kleur hebben als de rest van het lichaam. Sierduivenrood vererft in tegenstelling tot de
andere grondkleuren niet geslachtsgebonden en is recessief ten opzichte van alle
andere kleuren. Als ik het hierna heb over de geslachtsgebonden vererving van de grondkleuren is dat dus uitdrukkelijk met uitzondering van sierduivenrood. De erffactor (het gen) voor sierduivenrood is niet gebonden aan het geslachtschromosoom en vererft op een andere wijze. Zoals ik al eerder stelde, chromosomen zijn altijd paarsgewijze aanwezig. De geslachtschromosomen van de doffer noemen we de XX chromosomen en de geslachtschromosomen van de duivin worden XY chromosomen genoemd. De erffactor voor de kleur is gekoppeld aan het X geslachtschromosoom. We weten dat in de zaadcellen van de doffer altijd een X chromosoom aanwezig is. Bij de eicellen van de duivin is de kans op een X chromosoom maar 50%. De Y eicellen van de duivin bevatten geen erffactoren voor de veerkleur. De veerkleur van de nakomelingen uit deze Y eicellen wordt dus alleen door de doffer bepaald. De doffer bezit twee erffactoren voor kleur, hij draagt als het ware twee jassen over elkaar. Een zichtbare en de andere die hij er onder draagt. Als beide jassen dezelfde kleur hebben is hij fokzuiver. Als de jas die hij er onder draagt een andere kleur heeft is hij fokonzuiver. Die onderste jas is altijd recessief van kleur ten opzichte van de zichtbare (dominant gekleurde) jas. Onder de jas van
een niet fokzuivere postduifrode doffer kan wel een tot de zwart- of bruingroep
behorende kleur schuilgaan maar nooit andersom. De duivin kan maar één
erffactor voor kleur aan haar nakomelingen meegeven, een duivin is dus altijd
fokzuiver waar het een geslachtsgebonden kleur betreft. Bij een paring geeft de doffer altijd een jas (erffactor) voor kleur af, dit kan de zichtbare zijn of de onzichtbare (de jas die hij er onder draagt.) De duivin geeft maar aan de helft van haar nakomelingen haar erffactor af. De jongen die zo’n erffactor ontvangen hebben er dus twee en zijn dus doffers. De andere jongen krijgen alleen een erffactor van de doffer en zijn dus duivinnen. Een fokonzuivere postduifrode doffer x een postduifrode duivin.. Alle
doffertjes uit deze paring kunnen alleen maar postduifrood zijn. Zij hebben
allen van de duivin de factor voor rood gekregen en deze factor is dominant over
de eventueel van de doffer ontvangen factor voor de zwarte kleur. Bij de jonge
duivinnen uit deze paring is dat natuurlijk niet het geval, zij hebben alleen
een erffactor voor kleur van de doffer, dat kan rood zijn maar ze kunnen ook de
andere factor (de niet zichtbare jas die hij er onder draagt) ontvangen hebben
en dan behoren ze tot de zwartgroep. Verdunningen Van alle grondkleuren zijn er ook verdunningen. Bij sommige kleurslagen is bij oudere dieren niet zonder meer vast te stellen tot welke groep ze behoren. Roekbruin en dun worden nogal eens verwisseld ook dominant en recessief wit vertonen weinig verschil. Bij de nestjongen is het verschil wel heel duidelijk. Verdundkleurige jongen zijn altijd kort bedonst. Niet alleen de kleur maar ook ieder veerpatroon heeft zijn verdunde tegenhanger. Op mijn computerlijst staan maar liefst 746 verschillende kleurslagen vermeld. U zult het mij niet kwalijk nemen als ik in dit verband alleen de grondkleuren en enkele bekende veerpatronen en hun verdunningen vermeld. Kleur Verdunning ¨
zwart
dun ¨
blauw
gekrast leverkras ¨
blauw
geband
blauwzilver ¨
blauw
zonder banden
blauwzilver zonder banden ¨
bruin khaki ¨
postduifrood
postduifgeel ¨
roodzilver
geelzilver ¨
sierduifrood sierduifgeel Intensieve kleuren vererven altijd dominant ten opzichte van verdunde kleuren. Omdat de factor voor verdund geslachtsgebonden is en dus gekoppeld is aan het X chromosoom kunnen alleen doffers onder hun intensief gekleurd fenotype onzichtbaar de erffactor voor verdund voeren. Een duivin met de factor voor verdund is ook verdundkleurig in haar uiterlijk. Het is echter zeer wel mogelijk dat een niet fokzuivere postduifrode doffer zowel de erffactor voor de kleur zwart en de erffactor voor verdund voert. Uit een paartje roodzilver duiven kunnen dus blauwzilvers vallen. Lezers die het voorafgaande goed begrepen hebben weten dat dit alleen duivinnen kunnen zijn. Achter een verdundkleurig uiterlijk kan nooit de factor voor intensief schuilgaan. Een verdundkleurige doffer is dus altijd fokzuiver voor de erffactor verdunning maar hoeft dat voor kleur niet te zijn. Een niet fokzuivere geelzilver doffer kan als tweede jas dus wel een blauwzilver gekleurde dragen maar geen intensief gekleurde. Een fokzuivere
geelzilver doffer x een roodzilver duivin. Door de factor voor intensief die zij van hun moeder ontvingen zijn alle doffertjes roodzilver. De duivinnen uit deze combinatie die alleen de erffactor voor verdund van de doffer hebben gekregen zijn allemaal geelzilver. Gemakshalve ben ik er in dit voorbeeld van uit gegaan dat beide ouders ook fokzuiver zijn voor het veerpatroon geband. Indien beide ouders de recessieve factor voor ongeband voeren dan kan men verwachten dat 50% van de jongen ongeband zullen zijn Sierduivenrood De vererving van sierduivenrood is totaal verschillend van de andere kleuren. Sierduivenrood is altijd roekkleurig en herkenbaar aan de doorgekleurde staart en slagpennen. De erffactor voor sierduivenrood is niet geslachtsgebonden en is recessief ten opzichte van alle andere kleuren. In het genotype van beide geslachten kan de aanleg voor sierduivenrood aanwezig zijn. Deze erffactor kan zich achter iedere maar denkbare kleur verschuilen. Pas als een jong van beide ouders die factor meekrijgt kan die prachtige kleur zich manifesteren. Helaas zijn er veel factoren die het aanzien van sierduivenrood negatief kunnen beïnvloeden. Vooral de aanwezigheid van postduivenrood in de erfmassa schijnt aan de kleurdiepte afbreuk te doen. Om in te kruisen is diep zwart het meest geschikt. In de F.1 (de eerste generatie) zijn alle jongen in beide geslachten zwart maar bezitten eveneens allemaal de factor voor sierduivenrood. Bij terugparing aan sierduivenrood kan men op 50% sierduifrode nakomelingen rekenen. Als men die F1 jongen onderling paart is er theoretisch kans op 25% rode nafok. De zwarte kleurslag kan zich alleen manifesteren met behulp van de zogenaamde S. (Spreidings) factor. Zelfs bij enkelvoudige aanwezigheid kan deze factor alle tot de zwartgroep behorende veerpatronen bedekken. Bij sierduivenrood kennen we ook zo iets maar die zogenaamde e.factor moet altijd dubbel aanwezig zijn. Deze e.factor heeft nog een veel sterkere werking, onder invloed hiervan worden alle kleuren en veerpatronen volledig door het sierduivenrood bedekt. Onderlinge beïnvloeding van
kleuren Met behulp van een elektronenmicroscoop kunnen chromosomen zichtbaar gemaakt worden. In een schematische afbeelding worden chromosomen vaak afgebeeld als een soort kralensnoer die om een denkbeeldige verticale as zijn gewikkeld. De plaats van een chromosoom op dat denkbeeldige kralensnoer is niet willekeurig. Hoe dichter bepaalde chromosomen/erffactoren bij elkaar liggen hoe groter de kans op onderlinge beïnvloeding schijnt te zijn. De wetenschap die zich hiermee bezig houdt maakt enorme vorderingen, toch ben ik bang dat wij de praktische toepassing hiervan in de duivenfok niet meer mee zullen maken. Bij een aantal kleurslagen kun je met haast 100% zekerheid voorspellen welke kleur de nakomelingen zullen krijgen. Vooral bij kruisingen van twee rassen is dat vrijwel onmogelijk en kom je voor de vreemdste verassingen te staan. Ook achter wit (wit is geen kleur maar een factor die belet dat de genetische kleur zichtbaar wordt) kan letterlijk alles verborgen zijn. De meeste sierduivenfokkers houden precies bij wat zij jaarlijks fokken. Op ieder hok worden er jaarlijks wel jongen geboren in een kleur of veerpatroon dat totaal afwijkt van de ouderdieren. Het zou prachtig zijn als lezers/fokkers in de toekomst een korte omschrijving van zo iets op zouden sturen. Daar kunnen we allemaal veel van leren. Tot slot, ik hoop met dit artikel enige interesse voor het onderwerp ‘Kleurvererving’ gewekt te hebben. Om het artikel niet onnodig lang te maken heb ik alles heel summier gehouden. Tal van factoren die kleur en veerpatroon bepalen zijn daardoor niet aan bod gekomen. Voor wie er werkelijk meer van wil weten kan ik een tweetal boeken aanbevelen. Handbuch der Tauben, door Axel Sell The Pigeon, door Wendell Mitchell Levi
Indigo De
factor Indigo is een niet geslachtsgebonden dominant gen. Omdat deze factor
(Indigo) dominant is zijn duiven met deze factor uiterlijk herkenbaar. De mate
van herkenbaarheid verschilt. Zelfs als de factor enkelvoudig aanwezig is
is dat bij de blauwe kleurslag duidelijk te zien. Bij de rode- en bruine
kleurslagen is die aanwezigheid veel minder duidelijk. Bij
duiven met een blauwe grondkleur met ėėn factor voor Indigo veranderen
banden of krastekening in een bruinachtige kleur. Slagpennen worden grijs en de
staartband verdwijnt of wordt lichter van kleur dan de rest van de staart. Als
de Indigo factor dubbel aanwezig is bij een blauw zwartgebande of gekraste duif
verandert de kleur tot een soort roodzilver geband of roodzilver gekrast. Aan de
blauwgrijze kleur van kop, hals en borst kan de kenner zien dat het fokzuivere
Indigo's zijn. Voor een niet kenner is dit alleen via een proefparing vast te
stellen. Als
bij een zwarte duif (dus een blauwe met de spreidings factor) de factor voor Indigo
dubbel aanwezig is ontstaat een soort vuilwitte kleur. Kop en hals vertonen dan
vaak nog wat pigment in de vorm van grijze of rood- bruine aftekeningen. Roodzilver
gebanden of gekrasten met de Indigo factor
verschillen vrijwel niet van de roodzilvers en gekrasten zonder die
factor. De
bruinzilvers met een enkele Indigo factor zouden door kunnen gaan voor
roodzilvers. Blootgesteld aan zonlicht verbleken zij sterk ook aan de witte ring
rond de pupil zijn ze voor de kenner herkenbaar. Een
duif met een zwarte grondkleur (dus blauw met de spreidings
factor) en een factor voor
Indigo noemen we "Andalusisch Blauw" Voor
de beschrijving van deze kleurslag heb ik wat meer ruimte gereserveerd.
Andalusisch
Blauw Kleuromschrijving.
Kop-
en halskleur zo donker mogelijk (zwartblauw), de bevedering van borst en buik
alsmede de staart iets lichter van kleur. De vleugelschilden: blauw met een
zwarte zoming (elke schildveer is voorzien van een scherpe, smalle zo donker
mogelijke zoming. Slagpennen blauwgrijs. In
ons "kleurenblok" wordt de kleurslag Andalusischblauw aldus omschreven. Dit komt vrijwel overeen met de omschrijving in de Duitse standaard,
de American Pigeon Standard is iets minder gedetailleerd. Bij
de beoordeling zullen we daar rekening mee moeten houden. Roest of brons (vooral
te vinden op de achtervleugel) hoeven we
niet te accepteren, maar bij het beoordelen van de breedte, scherpte en kleur
van de zoming mogen we op de beoordelingskaart alleen de wensen kenbaar maken.
Ook duiven met een wat bredere, minder scherpe zoming kunnen nu nog de hoogste
predicaten behalen. Bij de Andalusiërs is vaak een wat donkerder tint (als een
soort schaduw) over een deel van het vleugeldek vast te stellen maar ook een wat
minder egale schildkleur leidt niet tot aftrek van punten. Waar
moet bij het fokken van deze kleurslag op worden gelet. De
kleurslag Andalusischblauw berust
op 2 zogenaamde modificerende
erffactoren, met name de uitbreidingsfactor voor kleur (Spread met als
symbool S) en daarnaast de kleurverandering/verblekingsfactor (Indigo met als
symbool In). Indien beide factoren tezamen komen in één duif behorende tot de
zwart/blauw pigmentgroep (en andere verhinderende factoren ontbreken) is het
resultaat Andalusischblauw. Ter
verduidelijking zal ik trachten de werking van de betreffende erffactoren te
beschrijven.
De
Spreidingsfactor S verandert de structuur van het pigment op zo'n manier dat bij
duiven met zwart pigment (bijvoorbeeld donker, blauw zwartgeband of gekrast) de
bevedering zwart wordt. Die spreidingsfactor heeft hetzelfde effect bij
dominant rood of bruin. Volgens Amerikaanse onderzoekers neemt het pigment de
kleur aan van de staartband. Dat is ook de oorzaak dat een roodzilver gebande of
gekraste (die geen staartband vertonen) door die spreidingsfactor veranderen in
een soort bruin/roodachtig zilver. Een bruinzilver met de Spreidingsfactor
wordt chocoladebruin over het hele lichaam. De diepte van de diverse kleuren is afhankelijk van de uitgaande grondkleuren en tal van factoren die deze kunnen beïnvloeden. Tekening- en Spreidingsfactor zijn geen allele maar vererven onafhankelijk van elkaar. Dat
betekent dat achter iedere zwarte duif een gebande, gekraste of donkere
schuilgaat. De Spreidingsfactor is niet geslachtsgebonden en gedeeltelijk
dominant. Als de factor bij een van de ouderdieren dubbel voorkomt (dan is dat
dier homozygoot-fokzuiver- voor die factor) en zijn alle jongen daaruit zwart
maar die op hun beurt zijn (heterozygoot- niet fokzuiver- voor die factor) en
afhankelijk van het toeval zullen hun jongen in theorie maar voor 50% uit
zwarten bestaan. De
Indigofactor In is eveneens een dominante niet geslachtsgebonden factor. Vooral
bij duiven met zwart pigment (zoals
donker, blauw zwartgeband of gekrast) is die verandering van die
pigmentstructuur heel duidelijk zichtbaar. Bij dominant roden met de
Indigofactor, zoals roodzilver en roodzilver gekrast is dat veel minder het geval
en kan die aanwezigheid zelfs onbemerkt blijven. Bij bruin schijnt het effect helemaal onzichtbaar te zijn Bij
duiven in de blauwe kleurslagen met maar één factor voor Indigo worden de
vleugelbanden of de krastekening veranderd in een soort roodbruine tint, de
staartband ontbreekt of ziet er uitgewassen uit, slagpennen zijn grijsachtig,
vleugelschilden en body lijken meestal wat donkerder. Maar dit alles kan
afhankelijk van de uitgangsdieren sterk variëren. Als
de factor voor Indigo dubbel aanwezig is (zijn ze homozygoot voor die erffactor)
en vooral bij de krassen vrijwel niet meer te onderscheiden van
roodzilver gekrasten. Voor de kenner zijn ze aan hun naar purper neigende
kopkleur nog wel te herkennen. Zelf
kan ik het mij niet voorstellen maar volgens Amerikaanse fokkers kan men
voor het creëren van Andalusisch- blauw deze fokzuivere Indigo's niet
gebruiken. Gepaard aan zwart (dus duiven met de Spread factor) schijnen die fokzuivere Indigo's een totaal
verschillende zilverachtig vuilwitte kleur met een wat donkerder kopkleur op te
leveren. In theorie zou je denken dat zo'n dier maar één factor aan zijn jongen
kan meegeven en zie ik geen verschil met niet fokzuivere Indigo's die bij 50%
van hun nafok die ogenschijnlijk zelfde factor doorgeven. Nogmaals
volgens die Amerikanen waaronder geneticadeskundigen zoals Frank Mosca en
M.Gibson: Het beste recept voor het
maken van Andalusischblauw zou zijn, uit te gaan van een heterozygote
(fokonzuivere) Indigo, liefst een donkere x een homozygote (fokzuivere) zwarte.
De nafok zou theoretisch voor 50 % tot die gewenste kleurslag behoren. Om de
kleur te verbeteren schijnt velvet (dus donker zonder schildtekening maar wel met staartband) gepaard aan Andalusischblauw de voorkeur te
hebben boven paringen aan zwart. Andalusiër x Andalusiër schijnt veel uitval
op te leveren. Zoals hierboven al aangegeven zijn de genoemde erffactoren niet
geslachtsgebonden en kan men naar believen van doffer of duivin uitgaan.
Dominant
Opaal Dominant
opaal is een dominante niet geslachtsgebonden
factor. In zijn werking is het enigszins te vergelijken met de Indigo
factor (het verbleekt namelijk de kleur van banden en krastekening). In de
praktijk varieert deze factor enorm. Banden en krastekening kunnen of alleen
maar wat opbleken of vrijwel wit worden, ook de kleur van de staartbanden kan
variëren van uitgewassen tot normaal zwart. Het opbleken van banden of
krastekening tot licht grijsachtig bruin komt het meest voor. Ook het verbleken
van de normale blauwe kleur tot een soort staalgrijs komt veelvuldig voor. De
dominant opaal factor is vaak aanwezig in combinatie met andere factoren (zoals
de Indigo factor). Vooral de combinatie van deze beide verblekende factoren
schijnt soms de gewenste witte banden of krastekening te brengen. Helaas is
de precieze samenhang nog niet echt bekend. De
schachten van de staartveren schijnen door de Opaal factor lichter van kleur te
worden, dit kan echter
ook door andere factoren worden veroorzaakt.
Roodzilver gebanden en roodzilver gekrasten met de dominant opaal factor
verschillen uiterlijk vrijwel niet van de normale roodzilvers en roodzilver gekrasten. Zwart
(blauw met spreidings factor) met de dominant opaal factor kan een attractieve
kleur/tekening opleveren waarbij de grondkleur varieert van zilver tot metaal
grijs en de schilden een vorm van zoming tonen. Bij
de Giant Homers en de American Show Racers kennen we duiven met de dominant
opaal factor die een kleur/tekeningpatroon vertonen dat sterk doet denken aan de
roze schubtekening van de Cauchois
Sooty
& Dirty Deze
factoren zijn niet geslachtsgebonden en recessief. Door de Sooty factor ontstaan
bij de gebande duiven op de vleugelschilden wazige onscherpe aftekeningen die
aan een krastekening doen denken. Ook de banden zijn onscherp en verwaterd.
Meestal ontstaan de aftekeningen op de schilden pas na de eerste rui. Bij duiven
met een krastekening is deze factor niet zichtbaar maar kan wel degelijk
aanwezig zijn. Door de factor Dirty worden vooral de blauwen veel donkerder
zelfs zo dat voeten en loopbenen ook bij het ouder worden vrijwel zwart blijven.
Deze factor is in bepaalde tuimelaarstammen
zo wijd verbreid dat fokkers denken dat die onaantrekkelijke
"vetblauwe" kleur inherent is aan dat ras. Mosaïek Over
mosaïk zou ik heel kort kunnen zijn, mosaik berust niet op een erfelijke factor
!
Vrijwel
iedere duivenliefhebber heeft wel eens foto's of afbeeldingen gezien van duiven
die op ėėn vleugelschild een rode kleur en tekening vertonen en op het
andere vleugelschild een zwart veerpatroon. Volgens "Hollander" berust
dit fenomeen op het feit dat bij de bevruchting meerdere zaadcellen in de eicel
zijn binnen gedrongen. Niet alleen de kleur maar ook andere elkaar uitsluitende
factoren zouden op deze wijze op ėėn duif zijn aan te treffen. In het
geval van bijvoorbeeld een niet fokzuivere rode doffer is het eenvoudig voor te
stellen dat de zaadcellen in hun wedloop te gelijkertijd hun doel bereiken. In
het fokseizoen kan men vaak genoeg vaststellen dat duivinnen zich soms door
meerdere doffers laten treden. In de betreffende literatuur gaat men er van uit dat
mosaïk getekende duiven maar ėėn van hun kleuren vererven. Schimmel De
schimmelfactor is dominant en niet geslachtsgebonden. Deze factor bewerkt bij
blauw zwartgebande duiven een soort grijs-witte opheldering van kop, schilden,
buik en kiel. Banden of eventuele krastekening worden er ternauwernood door beïnvloed. Vooral
bij de schoonheidspostduivenrassen komt deze factor veelvuldig voor. Duiven met
een rode of gele grondkleur en de dubbele factor voor schimmel kunnen vrijwel
wit worden. Vooral de combinatie van zwarte grondkleur zoals blauw zwartgeband +
ėėn enkele factor voor schimmel wordt voor tentoonstellingsduiven vaak
gebruikt. Blauwen met een dubbele factor voor schimmel worden veelal te licht
waarbij de nuancering van de kopkleur verloren gaat. In tal van rassen (met
oranje kleurige ogen) blijkt de kleur wit op de schimmelfactor te berusten. Door
gekleurde veren in het jeugdkleed is dat vast te stellen..
IJskleur
De
factor voor ijskleur is niet geslachtsgebonden. De factor is dominant, met het
voorbehoud dat alleen blauwen waarbij de factor dubbel aanwezig is die ideale
lichte ijskleur bezitten. Januari 1999
|