Index    Nieuws    Vererving   NSP  DSP   Dragoon    Gen.Homer   Show Homer  Ex.Homer   Show Antwerp  Giant Homer   Show Racer
 
BTTR   Gastenboek   Ledenlijst   Vraag & aanbod

 

 

 

 

De Engelse SchoonheidsPostduivenrassen

Show Homer

Tekening Lenting

Voorkop kan langer

Fraaie kop

Fraai blauwschimmel
 

    


 



 


 



 

 

Dat de populariteit van een duivenras omgeving- en tijdgebonden is wordt door de Show Homer bewezen. Gezien de zeldzaamheid van het ras tegenwoordig is het nu niet meer voor te stellen dat in het begin van deze eeuw de Show Homer de meest geshowde duif in Engeland was.

Geschiedenis

De eerste standaard van de Show Homer dateert van 1887, maar voor het feitelijke ontstaan van de S.H. moeten we nog wat verder terug in de geschiedenis. Zo rond het begin van de vorige eeuw probeerde men in België via kruising van de diverse lokale types tot een soort allround vliegduif te komen. Het uiterlijk van deze duiven was niet belangrijk het enige wat er op aan kwam was het vermogen om snel het hok terug te vinden. Afhankelijk van de uitgangsrassen kende men in de omgeving van Luik het z.g. Luikse kortbektype, krachtige duiven met ronde koppen en sterke snavels. Het Antwerpse type was meer op de Carrier gebaseerd, ze hadden veelal witte ogen, waren groter en herkenbaar aan hun grove neuswratten. Het Brusselse type was breed en kort, zij hadden de volle koppen van de Luikse kortbekken en de grove uitmonstering van het Antwerpse type. Het Gentse type werd gevormd door Luikse kortbekken met goed vliegende lokale kropperrassen te kruisen.

Het van oorsprong Duitse bankiershuis Rothschild had nevenvestigingen in Frankfurt, Parijs, Napels en Londen. Voor hun uitstekend functionerende berichtendienst maakten zij gebruik van Belgische vliegduiven. Voor dit doel hadden zij op vele strategische plaatsen z.g. duivendependances. Aan de verspreiding in Europa van de Belgische vliegduif hebben zij, zeker in die beginjaren kort na de eeuwwisseling, in belangrijke mate bijgedragen.

Het heeft haast vijftig jaar geduurd maar rond 1850 was er langzamerhand wat eenheid gekomen in het uiterlijk van wat wij nu kennen als het postduivenras. Vooral in Engeland en met name in de omgeving van Londen was er, ook onder de gewone duivenfokkers, veel belangstelling voor het nieuwe vliegras. Kosten nog moeite werden gespaard om goed materiaal te importeren. Omdat de meeste duiven werden geïmporteerd uit de omgeving van Antwerpen werd de naam Antwerp Homer al heel gauw een begrip voor alle uit België geïmporteerde postduiven. Het heeft decennia geduurd voor dit voorvoegsel weggelaten werd en men ze gewoon Homers noemde.

Show Antwerp

Kort voor de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) probeerde een aantal Engelse fokkers een z.g. tentoonstellingspostduif te creëren. Oorspronkelijk was het de bedoeling om, met behoud van de vliegcapaciteiten, het uiterlijk van de Antwerp Homer zodanig te verfraaien dat hij ook voor showdoeleinden gebruikt kon worden. Het waren vooral de tentoonstellingsduivenfokkers die dit dual- purpose ras ontwikkelden. Door strenge selectie van het basismateriaal en het inkruisen van o.a. de Engelse Owl en de Valkenet verkreeg men de grote ovaal gevormde koppen met de massieve snavels en typische wangvorming. Deze nieuwe creatie noemde men Show Antwerp. Vliegen deden ze voor geen meter, om die reden hadden de echte vliegduivenliefhebbers geen enkele belangstelling voor dit nieuwe ras. Toch is de Show Antwerp voor het ontstaan van vrijwel alle andere schoonheidspostduivenrassen uitermate belangrijk geweest. Het is, zover mij bekend, het enige ras waarbij drie koplengtes in de standaard genoemd worden en tot voor kort ook erkend waren. Vooral door hun enorme kopsubstantie hebben ze als uitgangsmateriaal een grote rol gespeeld bij de ontwikkeling van tal van rassen. Als tentoonstellingsras is de Show Antwerp nooit echt populair geworden, het is altijd een ras voor de enkeling gebleven.

Show Homer

De Show Homer is het ras met de grootste koplengte- kopvolume van alle duivenrassen ter wereld. Dat het door selectie uit gewone vliegduiven ontstaan zou zijn is natuur- lijk een fabeltje

De gewone vliegpostduif vormde natuurlijk wel geweldig uitgangsmateriaal om een nieuw ras te creëren. Door tientallen jaren alleen op prestaties te selecteren was het ras enorm vitaal, robuust en uitermate productief geworden. Terwijl de Show Antwerp als ras nog in zijn kinderschoenen stond waren er opnieuw een aantal Engelse sierduivenfokkers bezig om een tweede tentoonstellingspostduivenras te ontwikkelen. Vrijwel het enige waar ze het over eens waren was de naam "Show Homer". Er zou nog veel water door de Theemes vloeien voor er overeenstemming werd bereikt met betrekking tot de diverse raskenmerken . In tegenstelling tot de Show Antwerp die een oranje-rood oog moet hebben wilde men, waarschijnlijk ter onderschei- ding, bij de Show Homer al vanaf het begin een helder pareloog. Toch was er, vooral in die eerste jaren veel overeenkomst tussen beide rassen. Ook bij de Show Antwerp werden duiven aangetroffen met veel lengte en breedte in de voorkop. De snavelsubstantie die zo kenmerkend is voor de Show Antwerp liet vooral bij de langkoppige duiven veel te wensen over. Door het inkruisen van o.a. Cumulets, met hun spierwitte oogkleur en Neurenberger Bagadetten, voor hun schedellengte trachtte men dichter bij het gestelde ideaal te komen. Over heel Engeland verspreid waren er, alleen voor de Show Homer, maar liefst zeven speciaalclubs actief. In 1887 slaagde men er in één door alle partijen erkende standaard te publiceren. In 1888 sloten al die verspreide speciaalclubs zich bij elkaar aan onder de naam "The United Show Homer Club"

Vanaf dit tijdstip kon niets de opkomst van dit imposante ras nog tegenhouden. het is ongelofelijk wat die Engelse fokkers daar in het begin van deze eeuw hebben gepresteerd. Omdat vele van de geshowde dieren het gestelde ideaalbeeld voorbij streefden moest reeds in 1910 de standaard aangepast worden. Op foto’s van winnende dieren uit die tijd is echter duidelijk te zien dat ze het vooral in de snavelsubstantie lieten zitten. De  show homerfokker tekenaar A.J. Simpson ontwierp in dat jaar een nieuw ideaalbeeld, dit bleef gehandhaafd tot 1925. Stanley Hutchinson tekende in 1925 de karikatuurafbeelding die ook nu nog steeds als ideaalbeeld wordt gehanteerd. Op de betreffende afbeelding is de kop dermate over gedimensioneerd en de achterpartij zo onwerkelijk kort dat dit ideaalbeeld met zekerheid nooit voorbij gestreefd zal worden.

Het is waarschijnlijk overbodig om hier te vermelden dat de echte postduivenliefhebbers ook van dit ras niets moesten hebben. De eerlijkheid gebied te zeggen dat een goede Show Homer vrijwel geen enkele overeenkomst meer vertoont met een echte vliegpostduif. Na de eerste wereldoorlog (1914-1918) zijn er, in Crystal- Palace in Londen/Engeland, shows geweest waar niet minder dan zeshonderd Show Homers te bewonderen waren. De prijzen die in die jaren voor echte topdieren werden betaald grenzen aan het ongelofelijke. In die tijd verdiende een mijnwerker in een vijftigurige werkweek minder dan drie pond (ongeveer twintig gulden). Honderdtwintig tot honderddertig pond voor een paartje Show Homers kwam dus praktisch neer op het jaarloon van een modale werknemer. Men kan zich voorstellen dat op alles wat er maar een beetje op leek het etiket Show Homer geplakt werd. Het schijnt dat de nafok van die dure importen als regel erg tegenviel. Bij een ras met zulke extreme raskenmerken die genetisch ook nog niet vastlagen kon men niet anders verwachten. Ook de produktiviteit van het ras liep steeds verder terug, waarschijnlijk daardoor maar mede natuurlijk door die, voor de gewone fokker, onbetaalbare prijzen is het ras in Nederland nooit goed van de grond gekomen. Het begin van de tweede wereldoorlog markeerde het einde van de grote populariteit van de Show Homer in Engeland. In andere landen zoals Australië en de Verenigde Staten was het ras al enkele jaren eerder van de hitlijsten verdwenen. Op het vaste land van Europa was het vooral Duitsland dat de toon aangaf. Reeds in 1900 werd daar de "Deutsche Show Homer Club opgericht. De topdieren in Engeland werden door kapitaalkrachtige Duitsers met hun harde "Reichsmarken" opgekocht. De grote recessie (ook wel de crisistijd genoemd) uit het begin van de dertiger jaren, met de enorme devaluatie van de Duitse Mark, maakte een einde aan die importen. Door voedselschaarste, gedwongen opruiming op bevel van de bezetter en de totale chaos in de oorlogsjaren was het ras in 1945 op het vaste land van Europa vrijwel van de aardbodem verdwenen. Mondjesmaat werden er weer enkele dieren uit Engeland geïmporteerd, tezamen met de weinige dieren die de oorlog hadden overleefd vormden zij de basis van de huidige Show Homers. Het aantal actieve fokkers in Duitsland is op de vingers van twee handen te tellen. Eugene Tremper brengt, nu al meer dan dertig jaar, prachtig materiaal in de showkooien, in 1984 heeft Heinz Offers uit Altenberge de Carriers die hij toen al twintig jaar fokte ingeruild voor Show Homers en heeft daar inmiddels een geweldige stam van opgebouwd. In Nederland was het altijd maar een enkeling die zich aan dit veeleisende ras waagde. Er zijn zelfs jaren geweest dat ze bij ons helemaal niet meer geshowd werden. In 1985 was het Bert Veltkamp die op Ornithophilia na jaren van afwezigheid weer voor het eerst Show Homers instuurde, dit was nafok van dieren die hij bij Heinz Offers aangeschaft had. Tot ongeveer 1990 wist Bert ieder jaar wel enkele fraaie Show Homers te fokken. Inmiddels was hij ook met Exhibition Homers begonnen, omdat de ruimte om met beide rassen door te gaan ontbrak werden de Show Homers aan een Belgische fokker verkocht. Ook Han van Doorn fokte toen al enkele jaren Show Homers, de ouderdieren had hij in België aangekocht. Toen Bert Veltkamp er mee ophield gingen er ook een tweetal koppels naar Middelburg. De duiven van Bert werden gepaard met die Belgische duiven en daarmee kwam de doorbraak naar succes. Ook de afwijkende borstbenen waar het ras mee behept leek te zijn behoren tegenwoordig volledig tot het verleden. Op vrijwel al onze nationale shows zijn er de laatste jaren Show Homers van Han van Doorn en Cor van Poortvliet te bewonderen. Met één van zijn donkerkras doffers wist Han zelfs drie keer het N.B.S. certificaat te winnen.

Rasbeschrijving

De kop en alles wat daarmee samengaat bepalen natuurlijk voor een groot deel de kwaliteit van de Show Homer Bij de meeste sierduivenliefhebbers staat de Show Homer bekend als de duif met de roofvogelblik. Vooral Show Homers met veel schedel breedte hebben soms iets aanleg tot wat wenkbrauwvorming, tezamen met de haast witte oogkleur en de donkere oogranden die daarmee een fel contrast vormen geeft dat die typische blik die we vooral kennen van arenden en gieren.

Type en stand

Het type, moet groot zijn maar vooral krachtig. Een normale postduif weegt 430-460 gram. Een Show Homer moet zichtbaar veel groter zijn. Overjarige doffers wegen vaak meer dan 700 gram. Bij een ras met zo’n schedellengte zou het absurd zijn om een korte achterpartij te eisen, ernaar streven moeten we wel. Zogenaamde staartrijders, waarbij de staart de grond raakt, moeten om die reden in predikaat teruggezet worden.

Uit de ringmaat (11 mm) kan men afleiden dat de benen zeer krachtig verlangd worden, kort niet te dicht bij elkaar, en vrij ver naar achteren geplaatst is de volgende eis. Een enkel stoppeltje op de loopbenen, wat vaak voorkomt, moet voor de show worden verwijderd.

Show Homers waarbij de borst zover voor de vleugelbogen uitsteekt als op de standaardafbeelding bestaan niet. Vooral als ze wat opgericht staan moeten we al tevreden zijn als de borst iets voor de vleugelbogen uitkomt. De breedte van de borst daar komt het op aan. Een Show Homer met een te smalle borst geeft altijd de indruk van een lange smalle duif en dat is bij dit ras foeilelijk. De hals moet vol en krachtig uit de borst komen, beslist niet te lang zijn en mooi slank bij de kopaansluiting zodat er een scherp uitgesneden keel ontstaat. Voor de optische lengte in de voorkop is die scherpe keeluitsnijding van het grootste belang. De rug is vlak, breed bij de schouders en vormt tezamen met de staart een vrijwel rechte aflopende lijn. Bij de Show Homer is de vleugeldracht niet altijd optimaal. De middellange vleugels behoren op de staart gedragen te worden. Een losse vleugeldracht waarbij de vleugels opzij van de staart gedragen is voor showdieren niet toelaatbaar. Ook een perfecte rugafdekking kan zonder meer worden verlangd. De staart wordt in het verlengde van de rug gedragen, liefst smal en niet te lang. Het lijkt zo simpel maar het is zo moeilijk te verwezenlijken. Lange, losse en soms zelfs wat bolle staarten zijn bij dit ras nog vaak te constateren fouten. Het is een punt waar de fokkers veel aandacht aan zullen moeten geven. Ook de strakke bevedering die de scheppers van dit ras destijds voor ogen stond is bij dit ras meer uitzondering dan regel. Het weer en de conditie spelen hierin een grote rol.

Kopbelijning

Zoals al eerder gesteld, de kop is bij de Show Homer met afstand het belangrijkste raskenmerk. Lengte, breedte en vulling, in die volgorde moet de kop van een Show Homer beoordeeld worden. In de standaard wordt die gewenste kopbelijning heel goed omschreven. De langgerekte booglijn begint bij de snavelpunt, het hoogste punt bevindt zich precies boven de ogen en gaat goed gerond via het achterhoofd over in de nek. Iedere onderbreking van die boog lijn devalueert de in andere opzichten fraaiste duif tot een G-tje Te lang in voorkop kan een Show Homer nooit zijn. Toch is de lengte van de voorkop niet alleen zaligmakend. Als we bij de Show Homer over voorkoplengte schrijven wordt daarmee de afstand tussen ooghoek en snavelaanzet bedoeld, die afstand willen we lang hebben. In oude literatuur wordt de afstand van pupil tot snavelpunt met twee inches (5 cm.) aangegeven. De snavel zelf moet zo kort en stomp mogelijk zijn. In snavelvolume zijn er de laatste jaren enorme vorder- ringen gemaakt. De V-vormige neusdoppen mogen op geen enkele wijze de kopbelijning verstoren. Helaas is dat, voor- al bij overjarige doffers, vaak een vrome wens. Van de keurmeesters wordt op dit punt begrip en tolerantie gevraagd. Voor een fraaie kopbelijning is breedte en vulling van de voorkop niet minder belangrijk dan de lengte. In bovenaanzicht mag de schedelbreedte tussen de ogen tot aan de bekaanzet maar minimaal versmallen. Ook de plaatsing van het oog, beslist niet te hoog, speelt in de harmonie van het geheel een grote rol.

Veel voorkomende fouten in de kopbelijning

De meest voorkomende fout in de kopbelijning is ongetwijfeld de te vlakke voorkop, vrijwel altijd gaat dat tezamen met het iets overbouwd zijn van het gedeelte dat grenst aan de neusdoppen. Bij het in profiel bekijken van de kop is dit duidelijk vast te stellen. De denkbeeldige curve tussen snavelpunt en hoogste punt van de schedel ontbreekt hierbij volkomen. In de vorige standaard had men van de nood een deugd gemaakt door, afwijkend van de standaardafbeelding, een vlakker verlopende voorkop te omschrijven. Te zwakke ondersnavels is een euvel wat vooral bij duivinnen veel voorkomt.

Oogkleur en randen

De kleur van de iris wordt helder parelkleurig verlangd met een, liefst, kleine pupil. De oogranden donkergrijs tot zwart en zo smal mogelijk, ze moeten het oog goed strak omsluiten. Bij de lichte kleurslagen kunnen we natuurlijk geen donkere oogrand verwachten, bij deze kleurslagen is de kleur van de oogrand aangepast aan de veerkleur.

In de praktijk kunnen we vrij hoge eisen stellen aan oog- kleur en randen. Bij de beoordeling van de oogkleur bij jonge duiven moeten we geduld hebben tot de laatste slag- pen is geruid en volgroeid. Tot die tijd vertoont de oogkleur een grijsblauwe gloed. Show Homers met iets rode adering in een verder goeie oogkleur kunnen nog steeds het hoogste predikaat halen. De structuur en kleur van de oogranden geven doorgaans weinig reden tot kritiek. Zogenaamde losse ogen, waarbij de oogrand het oog niet goed omsluit en het bindvlees in de ooghoeken aan de voorzijde duidelijk zichtbaar is, zijn erg lelijk. Een ander euvel is de ontbrekende bevedering onder het oog of bevedering die niet tot aan de oogrand doorloopt. Een en ander moet wel in de kooi vastgesteld worden.

Kleurslagen, kleur en tekening

Het ligt voor de hand dat bij dit ras alle kleurslagen die bij postduiven voorkomen zijn erkend. Het z.g. sierduiven (recessief) rood en geel horen daar dus niet bij. In de praktijk zijn er maar een zeer beperkt aantal kleurslagen. Blauw zwartgeband en gekrast, blauwschimmels en blauwbonten. De hoofdmoot wordt gevormd door de blauwgekrasten, de tekening varieert van heel licht tot vrijwel zwartkras. Bij de beoordeling komt kleur en tekening op de laatste plaats, maar voor de hoogste predicaten moet kleur en tekening toch aan redelijke eisen kunnen voldoen. Zichtbare roest in banden of krastekening wordt niet geaccepteerd. Iets roest in de binnenvanen van de slagpennen bij donkergekrasten wordt niet bestraft. Het mooie lichte duivenblauw zal men bij de Show Homer tevergeefs zoeken. Ook strakke smalle banden zullen wel altijd een niet te vervullen wensdroom blijven, maar schone niet gewolkte schilden kan men zonder voorbehoud eisen. Bij de zwartkrassen is er op de schilden in feite geen sprake meer van krastekening maar van een soort zoming, dit is bij dit ras toegestaan. Een krastekening die doorloopt in de dijen en rug is positief te beoordelen maar kan men niet eisen. Soms is aan het uiterlijk vast te stellen dat de duiven recessief de factor voor bruin voeren, dit uit zich door het ontbreken van de groenglans in de halsbevedering en de matte kleur van banden en krastekening. Deze dieren horen niet thuis op de show. Ook vrijwel witte z.g. bonten die maar een enkel gekleurd veertje tonen, voldoen niet aan de omschrijving bont. Bij deze kleurslag moet men toch streven naar een verdeling van tenminste een derde- twee derde.

Het heeft geen zin om hier alle erkende kleurslagen en tekeningpatronen te omschrijven die misschien ooit bestaan hebben maar de laatste kwarteeuw niet meer zijn geshowd.

Produktiviteit

De S.H. is geen ras dat bekend staat om zijn grote productiviteit. De dagen moeten echt al wat langer worden voor zij aanstalten maken om met het eerste legsel te beginnen. Twee tot vier jongen per jaar en per koppel is zo’n beetje het maximum. In Duitsland zijn er wel fokkers die in het fokseizoen de staarten bij de doffers inkorten. Dit zou de bevruchting ten goede komen. Voedsterduiven heeft men niet nodig, ze zijn goed in staat zelf hun jongen groot te brengen.

Tot slot

Na het creëren van de Show Homer gaven de Engelse sierduivenfokkers hun pogingen om een ultiem schoonheidspostduivenras te fokken nog niet op. De Exhibition-Homer en de Genuine Homer, twee prachtige duivenrassen, zijn het zichtbare resultaat van dat pogen. De Giant Homer en de Show Racer zijn ontstaan in Amerika. Ook voor deze Amerikaanse schoonheidspostduivenrassen werd het uitgangsmateriaal, in de vorm van de Show Antwerp, geleverd door de Engelse fokkers.

Voor al deze rassen kunt u terecht bij de Schoonheidspostduivenclub in Nederland. Voor informatie kan men zich wenden tot de secretaris.

Jan Jacobs


De hieronder afgebeelde Show Homers zijn fokproducten van Han van Doorn, Cor van Poortvliet en Heinz Offers.