Index   Nieuws   Vererving  NSP  DSP  Dragoon Gen.Homer   Show Homer  Ex.Homer   Show Antwerp  Giant Homer   Show Racer
 
BTTR   Gastenboek   Ledenlijst   Vraag & aanbod Links Rasbegeleidingscommissie

 

 

 

 

 

 

DE NEDERLANDSE SCHOONHEIDSPOSTDUIF.

Blauwzilver gebandWit

    Geelzilver gekrast

Blauw geband



 
Blauwzilver gekrastZwart Geelzilver schimmel

 

Geel getijgerd

 

    

 

                 

Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse Schoonheids Postduif

 

De geschiedenis van de Nederlandse schoonheidspostduif (N.S.P.) is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de vliegpostduif (postduif). Om deze reden gaan wij hier wat uitvoeriger op in.

De postduif als ras is een Belgische creatie en als zodanig in het begin van de 19e eeuw in België ontstaan. Tal van sierduivenrassen zoals Meeuwen, Carriers, Kroppers, Luikse Barbetten, diverse Tuimelaarsoorten etc. hebben aan de vorming bijgedragen.

Aan de nog steeds voorkomende jabots, bekausde voeten en een enorm scala aan oogkleuren is die heterogene afkomst ook nu nog vast te stellen. Aan het einde van de 19e eeuw waren uit deze smeltkroes een aantal types gevormd. Deze types waren ontstaan in en rond de grote steden en waren vooral van lokale betekenis.

(A)

Zo kende men ik Luik het z.g. Luikse type, deze dieren waren niet te groot, krachtig gebouwd, hadden een jabot en ronde koppen met krachtige snavels. De Luikse Barbet, een ook nu nog bestaand ras, heeft duidelijk aan de wieg gestaan.

(B)

Het Antwerpse type was meer op de Carrier gebaseerd, deze duiven waren hoger gesteld en groter met opvallende grove neuswratten.

(C)

Het Brusselse type was breed en kort met volle koppen en grove uitmonstering.

(D)

Het Gentse type werd gevormd door kroppers die gekruist werden met de Luikse kortbekken.

Natuurlijk waren er nog meer types, maar de bovengenoemde worden als de grondleggers van de moderne postduif, zoals we die nu kennen gezien.

Grove neuswratten die, vooral met regenweer, een grote handicap vormden zijn, door selectie, nu vrijwel verdwenen

Door de opkomst van het openbare vervoer in de 20e eeuw en de massamotorisering na de 2e wereldoorlog zijn die oorspronkelijke lokale rassen opgegaan in een soort allround internationale Postduif. Duitsland en vooral ook Nederland hebben in die ontwikkeling een grote rol gespeeld.

Na de eeuwwisseling werden er in meerdere landen pogingen ondernomen om, met behoud van de vliegcapaciteiten, tentoonstellingspostduivenrassen te creëren. Vooral omdat de nagestreefde kopvormen veelal te extreem waren, waren deze pogingen bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Toch hebben deze pogingen geleid tot het ontstaan van een aantal prachtige rassen. De toevoeging "Homer" bij de Engelse rassen heeft echter alleen nog een historische betekenis. Ook de Duitse "Schautaube" heeft niets meer met de "Brieftaube " gemeen.

Ook bij de postduivenfokkers leefde het verlangen om mooi en goed te combineren. 
Dit leidde reeds in 1925 tot de oprichting van de Nederlandse groep van "Gediplomeerde Keurmeesters".

Hun eerste werk was het ontwerpen van een standaard waaraan de ideale postduif moest voldoen. Deze standaard is steeds bijgesteld naarmate de postduif evolueerde. De keuring vindt plaats door middel van een punten- systeem. Voor 5 onderdelen worden punten gegeven. Oude duiven kunnen maximaal 93, jonge duiven maximaal 92,5 en late jongen maximaal 91,5 punten behalen.

Bij de overkoepelende organisatie van de postduivenfokkers (F.C.I.) zijn 36 landen en 700.000 liefhebbers aangesloten. Om de 2 jaar wordt een z.g. Olympiade georganiseerd. Dit is een soort wereldtentoonstelling waarbij de beste prijsvliegers en de mooiste duiven van de deelnemende landen geëxposeerd worden.

Hoewel de standaard van de postduif vrijwel identiek is (voor wat betreft de lichaamsbouw) met die van de N.S.P. is er in de praktijk wel degelijk verschil. Bij de postduiven is de stand meer afhellend, de halzen zijn forser en naast een veel rijkere bepluiming zijn ze ook gespierder. De N.S.P. is echter (althans in mijn ogen) veel eleganter.

Kort voor en na de 2e wereldoorlog was de Ronsenaar, Maurice Delbar praktisch onverslaanbaar op de grote fondvluchten. Het predicaat mooi en goed was bij uitstek van toepassing op zijn duiven. De Delbar duiven vielen op door hun kleur (merendeels hele lichte blauwen met soms enkele witte pennen)hun mooi belijnde koppen en de eenheid en uniformiteit van type.

Nu zowat een halve eeuw later voeren praktisch alle tetoonstellings postduiven en ook de N.S.P. nog Delbar bloed. Als vliegduiven zijn ze inmiddels verdrongen door andere stammen.

Ook de zwartkrassen van Corneel Horemans uit Schoten stonden in die jaren bekend om hun prachtige type. De kleur was toch minder geliefd en zij hebben als tentoonstellingsduif nooit het succes van de Delbar duiven kunnen benaderen.

Tot 1947 werden tentoonstellings postduiven gekeurd volgens de standaard van de Nederlandse groep van gediplomeerde keurmeesters, in dat jaar werd de standaardcommissie door de N.B.S. ingesteld, hierdoor veranderde de situatie. De door de nieuwe standaardcommissie ontworpen standaard week op meerdere punten af van de bestaande, met als gevolg dat bijvoorbeeld aan de oogkleuren en kopbelijning andere eisen gesteld werden.

Achteraf kunnen we ons gelukkig prijzen dat in die beginjaren niet gekozen is voor een extreme kopbelijning. Met uitzondering van de Nederlandse schoonheidspostduif hebben alle schoonheidspostduivenrassen sedert hun omvorming tot tentoonstellingsras veel ingeboet aan vitaliteit en vruchtbaarheid. De N.S.P. daarentegen is een van de weinige rassen waarvan men ook nu nog kan zeggen dat het door en door "sound" is. Acht tot tien jongen per koppel/jaar is eerder regel dan uitzondering. Vooral deze vruchtbaarheid maakt het ras, ook als voedsterduif, zeer geliefd.

Interpretatie van de standaard

De N.S.P. behoort tot de vormduiven en moet voor alles type en stand vertonen. Bij het beoordelen van type en stand letten we (nog) niet op onderdelen, maar gaat het om de totale indruk. Een echte fraaie N.S.P. is veel meer dan een optelling van bepaalde maten en verhoudingen, het moet een esthetisch geheel zijn, waarvan iedere beschouwer meteen onder de indruk komt. Maar net zoals foto's en schilderijen aan bepaalde compositiewetten gebonden zijn, zo moet ook de de N.S.P. aan bepaalde, in de standaard omschreven, eisen voldoen om dat gewenste beeld te kunnen vertonen.

In de standaard wordt het type (de lichaamsbouw) omschreven als fors en kortgebouwd. Die gevraagde forsheid mag niet ontaarden in grof of lomp. De grootte van een flinke postduif is voor een N.S.P. precies goed. Wat we willen, zijn duiven met een volle, brede en diepe borst die overgaat in een goed gevulde buik. Borst en buik moeten royaal voor en onder de vleugelbogen uitkomen. Van de voorkant bezien moeten de borstveren de vleugelbogen bedekken.

De middellange hals moet vol en breed uit de schouders komen en mooi gelijkmatig verlopen naar een slanke bovenhals. Een strakke bevedering kan veel bijdragen aan die indruk van slankheid. Bij de overgang naar de kop is een scherpe keeluitsnijding beslissend voor een goed geproportioneerde kopbelijning. N.S.P. met een z.g. volle keel lijken altijd te kort in de voorkop. De halsdracht verlangen we mooi verticaal, een denkbeeldige loodlijn uit het oog moet de schouderaanzet raken. N.S.P. met een vaste horizontale stand staan vrijwel altijd goed in balans en hebben automatisch de juiste halshouding. Duiven met een afhellende stand missen die balans en steken ter compensatie hun kop (resp. hals) naar voren.

Rug

Bij de N.S.P. verlangen we een brede rug, breed bij de schouders maar ook de overgang naar de bovenstuit en de bovenstuit zelf moeten niet te smal zijn. Een zogenaamd zwak slot (slappe stuitbeentjes) gaat vaak samen met een te smalle bovenstuit. Bij het in de hand nemen is dat goed vast te stellen. N.S.P. die aanvoelen alsof ze als het ware uit twee delen bestaan zijn voor fok en show onbruikbaar.

Staart

De eis van een korte staart is, vooral bij doffers, vrijwel niet te realiseren. De vuistregel, dat de staart niet meer dan een duimbreedte langer mag zijn dan de slagpennen, kunnen we zelfs bij de duivinnen maar met moeite toepassen. Ook bij de postduiven is dit niet anders. De optische indruk van een lange achterpartij wordt meestal veroorzaakt door een te smalle borst. Smalle staartveren zijn ook altijd lange staartveren. Bij het samen- stellen van de fokparen moeten we daar rekening mee houden en selecteren op duiven met brede en korte staartveren.

Vleugels

De vleugels van de N.S.P. moeten breed zijn, de rug volledig afdekken en met de slagpeneinden losjes op de staart rusten. In tegenstelling met de postduiven, waarbij de vorm en plaatsing van mantel- en slagpennen in verband met de aerodynamica vrij complex is, geldt bij de N.S.P. alleen de eis dat de pennen breed moeten zijn. Alle afwijkingen van de normale vleugeldracht, zoals een hangvleugel of onvoldoende rugdekking moeten streng bestraft worden.

Benen

De standaardomschrijving van de beenlengte, middellang, is voor de N.S.P. exact juist en geeft precies aan wat we willen. Die gewenste been- lengte is vrijwel altijd aanwezig, de moeilijkheid schuilt in de stand van de benen. Licht gehoekt, waarbij het bovenste gedeelte van de dijbenen verborgen wordt door de buikbevedering, geeft ongeveer weer wat we als ideaal zien. Een gestrekte beenstand, waarbij het gewicht meer op de voorste tenen komt te rusten en de dijbenen helemaal zichtbaar worden doet de N.S.P. te houterig lijken. Een gedrukte houding komt ook wel voor. Indien die gedrukte houding veroorzaakt wordt doordat de kooien van boven afgedekt zijn, dan is een objectieve vergelijking niet mogelijk. Bij tentoonstellingen waar men door ruimtegebrek moet optoppen, zijn vooral de vormduiven, in de onderste kooien, sterk benadeeld. Het advies ’daar moet je ze op trainen’ heeft maar een beperkte waarde.

Deformaties aan de voeten, zoals ontbrekende nagels of zwemvliezen tussen de tenen, zijn uitsluitingsfouten. Stoppels aan de loopbenen ontsieren erg en moeten voor de show verwijderd worden.

Voorkomende fouten bij het type (lichaamsbouw)

  • te smal en/of te lang in achterpartij

  • te dikke hals (gaat vaak samen met een volle keel)

  • foutieve vleugeldracht

  • te vlak in borst

  • te hoge of te lage stelling (dit kan men beter als een afwijking van de ideale stand om schrijven)

Stand

Een vaste horizontale stand, aan die eis wordt bij de N.S.P. geen enkele concessie gedaan. Een ieder weet wat we bij de N.S.P met een horizontale stand bedoelen maar als we het moeten omschrijven gaat dat heel wat moeizamer. Bij een horizontale stand is de ruglijn nog licht afhellend, maar een denkbeeldige lijn vanuit het midden van de vleugelboog naar de staart moet evenwijdig met de bodem van de showkooi verlopen. Keurmeesters zijn altijd geïmponeerd door duiven die constant een vaste stand vertonen. Van geen enkele duif kan men echter verwachten dat zij gedurende 24 uur per etmaal de door ons gewenste stand aanneemt. Een simpel aantikken met de keurstok of het even oplichten van het kooideurtje moet voldoende zijn om de N.S.P. in stelling te brengen. Duiven met een echt afhellende stand vallen meteen op, ondanks eventuele andere kwaliteiten is het predicaat G. voor hen het hoogst bereikbare.

Duiven die alsmaar door de kooi drentelen en/of duiven die zelfs met behulp van de keurstok maar met moeite de gevraagde horizontale stand vertonen, missen de vaste stand die bij dit ras wordt verlangd Voor de hoogste predicaten komen dergelijke duiven niet meer in aanmerking.

Bij die horizontale stand hoort natuurlijk de daarbij passende beenstelling, iets doorgedrukt in de hielgewrichten en een fraaie rechtop gedragen hals.

Voorkomende fouten bij de stand:

  • afhellende stand

  • een niet vaste stand

  • een stand waarbij de benen te gestrekt zijn, waardoor ze te recht en houterig lijken.

Kop

De N.S.P. behoort niet alleen tot de vormduiven het is echter ook bij uitstek een z.g. kopras. Bij duiven behorende tot die groep wordt ieder foutje of afwijking van de ideale kopbelijning streng bestraft.

De omschrijving van de kopbelijning in de standaard is gedetailleerd en uitvoerig en luidt als volgt:

Een fraaie harmonische kopbelijning met behoorlijke voorhoofdslengte en zeer gematigde ronding van de kop. De voorhoofdslijn loopt van de snavelpunt tot de schedeltop, met het hoogste punt midden boven het oog en zonder de minste onderbreking in een fraaie ronding verlopend naar de nek. De voorkop is wigvormig en geheeld gevuld, zonder inzinking of kneep. Ook het overige deel van de kop is harmonisch gevuld. De kop wordt fier en horizontaal gedragen.

Alle fokkers weten, dat de gevraagde kopbelijning makkelijker bij duivinnen dan bij doffers te realiseren is. Doffers hebben van nature een kortere en rondere kop met meer schedelbreedte dan duivinnen. Toch moeten we er voor waken, doffers met duivinnenkoppen te willen fokken. Reeds ondernomen pogingen in die richting hebben afdoende bewezen dat met het afnemen van het kopvolume ook de gewenste forsheid van het type verloren gaat.

Kopdracht, keeluitsnijding en achterkopbelijning kunnen we het beste beoordelen terwijl het dier in de kooi staat. Bij de beoordeling van de overige koppunten moeten we het in de hand nemen. Een N.S.P. met een fraaie kopbelijning heeft een behoorlijke lengte in de voorkop, die lengte wordt bepaald door de afstand tussen ooghoek en snavel, de snavel zelf mag hooguit middellang zijn.

Bij het in profiel bekijken van die kopbelijning letten we op die lengte in de voorkop en de snavelinplanting maar ook iedere onderbreking van die kopbelijning kunnen we duidelijk zien. Zo kennen we snaveldruk, wratdruk, voorhoofdsdruk enz. al naar gelang van de plaats waar de druk of onderbreking optreedt. De laatste jaren zien we in toenemende mate N.S.P. met hoekige niet goed afgeronde achterkoppen. Omdat dit sterk vererft moet het streng bestraft worden.

De vorm en structuur van de neuswratten tezamen met de wigvorm van voorkop en schedel bekijken we van bovenaf. De brug (dit is de wigvormige belijning die gevormd wordt door voorkop en schedel) moet wel vol maar niet overmatig breed zijn. Een te brede brug is meestal het gevolg van het infokken van Duitse schoonheidspostduiven en doet rasvreemd aan. De meest voorkomende fout in de kopbelijning is wel de z.g. kneep (het voorkop- gedeelte onmiddellijk boven de wratten is dan zijdelings ingedeukt) Kneep komt vaak voor bij duiven met veel lengte in de voorkop. De fraaiste kop- pen zijn altijd een compromis tussen lengte en vulling. Bij jonge duiven kan men pas na het ruien van de laatste slagpen een goed gevulde voorkop verwachten.

Neuswratten

Bij de N.S.P. verlangen we zwak ingesneden hartvormige neuswratten met een zo fijn mogelijke structuur. Iedere verstoring van de kopbelijning door de neuswratten is foutief en moet bestraft worden. Duiven met te diep ingesneden wratten of wratten met een te grove structuur worden één à twee predicaten terug gezet.

Oogranden

De ideale oogranden zijn zo fijn dat ze haast onzichtbaar zijn. Ook de vorm van de oogranden is erg belangrijk, oog met oogrand moet een volkomen ronde indruk geven. Op een ovale vorm moet een aanmerking gemaakt worden. Ook de veergroei rond de ogen moet geheel aansluiten. De kleur van de oogranden moet aangepast zijn aan de veerkleur. Bij duiven met de zwartfactor, zoals zwarten, blauw zwartgebanden en blauwkrassen wordt een licht grijze rand verlangd, bij witten, gelen en roden moet de oogrand wit tot licht vleeskleurig zijn. Vooral bij de blauwen en blauwzilvers kan men de hoogste eisen aan de oogranden stellen. Bij zwart en rood moet men in dit opzicht nog wat door de vingers zien.

Snavelkleur

Een zwarte snavel wordt verlangd bij de zwarten, holblauwen, blauwgebanden, blauw- en zwartkrassen. Een hoornkleurige snavel wordt verlangd bij de roden, gelen, rood- en geelzilvers, bij de blauwzilvers is een licht aangelopen bovensnavel normaal.. Een licht vleeskleurige snavel wordt verlangd bij de witten.

Nagelkleur

De nagelkleur moet in overeenstemming zijn met de snavelkleur, één of meer witte nagels bij een andere kleurslag dan wit of bont leidt tot uitsluiting,

Oogkleur

De standaard verlangt bij alle kleurslagen (behalve wit) een oranjerode iris. In de praktijk moeten we deze eis iets matigen, maar bij alle kleurslagen behorende tot de zwartfactor groep kunnen we een lichtend oranjerood oog verlangen. Een afwijkende oogkleur maar ook een hard gele of erg donkere oogkleur wordt als zware fout beschouwd.

Een zogenaamde correlatie- of verbandscirkel is bij de N.S.P. niet gewenst.

Veerkleuren

De Nederlandse schoonheidspostduiven behoren niet tot de kleurduiven en vooral het z.g. postduiven rood en geel is nooit zo diep en glanzend als de overeenkomstige sierduivenkleur. Bij rood en geel is de kleur van de slagpennen lichter dan de schildkleur, gekleurde binnenvanen zijn toegestaan. Bij de gebande kleurslagen wordt een egale en schone schildkleur verlangd, met smalle intensief gekleurde banden zonder roest of peper. Een witte rug bij holblauw, blauwgeband, blauw- of zwartgekrast wordt met één predicaat aftrek bestraft. Donker en donkergezoomd zijn niet erkend, blauw- en zwartkrassen wel, ook deze kleurslagen mogen geen roest in de schilden vertonen.

Voor inlichtingen of fokkersadressen kunt u zich wenden tot de secr. van de SPC. 

---------------------------------------------------------------------------------------------

Eind juni 2006 werd ik gebeld door Willem Tuinman hij vertelde mij dat hij bij het opruimen van de zolder een artikel had gevonden dat hem destijds was toegestuurd door ons lid de heer M.H. Nebbeling. In dit artikel (daterende uit de beginjaren ’80) wordt het ontstaan van de Nederlandse Schoonheids Postduif beschreven. Ik vond het artikel dermate interessant dat ik besloot het op de SPC website te plaatsen.

Jan Jacobs

INLEIDING

De heer Tuinman verzocht mij in zijn boekje : DE NEDERLANDSE SCHOONHEIDSPOSTDUIF een en ander over de totstandkoming van dit ras te beschrijven. Ik verwees hem naar een bijdrage en een beslist goede kopstudie van het ras van wijlen de Groningse heer Dusseljee in het helaas ter ziele gegane orgaan DE SIERDUIF , uitgave van de Nederlandse Bond van Sierduivenliefhebbersverenigingen (N.B.S.) De heer Dusseljee heeft zich destijds op verdienstelijke wijze ingezet voor het ras. Het verheugt mij dan ook dat zijn bijdrage, zij het zonder de kopstudie door de heer Tuinman in zijn boekje is overgenomen. De heer Tuinman wilde echter nog meer voorgeschiedenis. Wel nu dan.

De Geschiedenis van de Nederlandse Schoonheids Postduif volgens de heer M.H. Nebbeling:

Postduiven bestaan er reeds eeuwen lang. Zij werden in de oudheid o.a. in Egypte, Perzië en Griekenland al ingezet voor het overbrengen van berichten. Tijdens de tachtigjarige oorlog (1568 – 1648) werden ze gebruikt voor de overbrenging van legerberichten. Bij het ontzet van Leiden en Haarlem hebben ze een belangrijke rol gespeeld. Vaderlandse geschiedenisboeken maken hier gewag van. Tijdens de eerste wereldoorlog (1914 – 1918) was ons leger gemobiliseerd. Ingeval van nood waren postduivenhouders verplicht hun duiven ten behoeve van ons leger af te staan. Het leger zelf was in het bezit van verschillende vaste postduivenstations maar ook van verplaatsbare stations. Door het Rijk voor zeer veel geld aangekochte gerenommeerde duiven, o.a. uit België bevolkten deze stations. Ik kan mij nog goed drie vaste stations herinneren. Een op de zolders van de kazerne aan de Sarphatiestraat te Amsterdam. Deze heeft altijd op mij de meeste indruk gemaakt. Ik had er uiteraard geen toegang, maar van de straat af heb ik dikwijls naar de grote valplanken staan kijken, welke er uit het dak staken waarop je dan de vele duiven, soms een wolk kon zien opvliegen en neerstrijken. Een boeiend gezicht. Voorts het station op het Fort Erfprins te den Helder en de duivenslag van de kazerne aan de Mineurslaan te Utrecht. De militairen, die deze Rijksduiven verzorgden hadden een wit geborduurde vliegende duif op een van de mouwen van hun uniform. De meeste waren succesvolle leden van een plaatselijke postduivenliefhebbers vereniging, enkelen ontpopten zich zelfs als keumeester. Boze tongen beweerden dat er in de hokken van de stations wel eens eieren verwisseld werden. Een militairverzorger vertelde mij van het wonder dat uit een kostbaar door het Rijk aangekocht postduivenpaar jongen werden geboren met kapjes op de kop. Voor de waarheid hiervan wil ik niet instaan maar een feit is, dat het merendeel van de verzorgers thuis een slag met buitengewoon goede vliegers bezaten. Zelfs gedurende de tweede wereldoorlog (1940 – 1945) hielden de Duitsers nog rekening met eventuele inzet van postduiven voor de verzetstrijders, getuige het feit dat alle duiven gedood moesten worden. De ringen met het pootje eraan moesten worden ingeleverd. Men kan stellen, dat de postduiven zijn ontstaan uit kruisingen van alle vroeger bestaande rassen, welke qua bouw en spieren goed vliegen konden. Bagadetten, Smierels, Carriers, Dragoons, Franse Krawaatduiven, onze Amsterdamse rassen, noem maar op. Er zijn er veel op te noemen als men bedenkt, dat als stamhouders van de verschillende duivenrassen, de snel vliegende Rotsduiven (Columba Livia) worden beschouwd. In het einde van de vorige eeuw bestonden er reeds verenigingen van postduivenhouders, die hun duiven op afstand lieten vliegen, zij het nog niet die afstanden zoals later van meer dan duizend kilometer. Ook werd er wel met schoonheid rekening gehouden. Er werd streng geselecteerd, hoewel het afstand vliegen nog met zeer veel mogelijkheden gepaard ging. Toen in het begin van deze eeuw betere en snellere vervoermiddelen op de wegen kwamen, kon de postduivensport pas eerst goed tot ontplooiing komen. Men liet zijn duiven op grotere afstanden los, de minder begaafde bleven vanzelf weg, de betere kwamen terug, de een sneller dan de ander. Er waren er welke op korte afstanden de snelste waren, zij kregen de naam van vitesse duiven. Er waren er welke op de langere afstanden uitblonken, zij kregen de naam van fondduiven. Men bleef doorfokken met de duiven welke de beste vliegcapaciteiten bezaten en zo kwam de vliegwedstrijdsport tot stand waarvan de Belgen de eer toekomt, de spits afgebeten te hebben. Aan de vliegwedstrijden zat het poulen (wedden) verbonden. Gelijktijdig bij het inkorven van de duiven voor een wedstrijd werd een ingevulde poulelijst ingeleverd. Inzet per duif vanaf 5 cent oplopend tot een gulden. Om de vijf duiven prijs. Ook kon men op de poulelijst voor een of meerdere duiven een aangewezen duif invullen. Kosten een dubbeltje per duif. De eigenaar van de winnende aangewezen duif kreeg de hele pot ingezette dubbeltjes. Dezelfde regeling voor de koningspoule. Kosten een kwartje. Het geld is met de jaren gedevalueerd, thans gaat het om andere bedragen. Ook in de africhting is er veel veranderd, o.a. weduwschapvliegen. Het deelnemen aan tentoonstellingen kwam eveneens steeds meer in de belangstelling. Avicultura werd op 10 januari 1886 en Ornithophilia op 27 september 1894 opgericht. Op 1 maart 1903 werd de Nederlandse Tentoonstellingsclub De Postduif opgericht. Deze sloot zich aan bij de toenmalige Raad van Beheer. Van eenheid in de wijze van keuring was nog geen sprake.

Gediplomeerde keurmeesters zowel van postduiven als sierduiven bestonden er niet. De eerste stap om hierin verbetering te krijgen werd gezet op 15 augustus 1925 door oprichting van de Groep van Postduivenkeurmeesters. Deze groep sloot zich eveneens bij de Raad van Beheer aan. Een van de oprichters was de dierenarts wijlen Dr. C.A. Bol, die op het proefschrift: De kleurpatronen van onze duiven was gepromoveerd. In verschillende boekwerken betreffende de erfelijkheidsleer, zelfs van ver over onze grenzen kan men een en ander hierover terug vinden. Als jong broekje had ik de eer deze promotie te mogen bijwonen. Op 13 mei 1926 werd in een der bovenzalen van het toen bestaande feestgebouw De plompetoren te Utrecht de eerste keuringsregulatie vastgesteld. Ook hier had ik de eer aanwezig te mogen zijn. De volgende vooraanstaande tien keurmeesters hadden ieder voor zich de in hun ogen meest ideale schoonheidspostduif meegebracht: C. van Riet, Rotterdam; P.J. van Dalen, Haarlem; K.G. van Wolferen, Maassluis; Ed. le Comte, Rotterdam; C.P.J. van der Meijden, Rotterdam; C. Witlox, Waalwijk; A.C. van Iersel, Tilburg; J.C. Bloys van Treslong, Den Haag; Dr. C.A. Bol, Nijmegen; en C.A. van der Meer, Tilburg.

Uit de tien meegebrachte vogels moest het standaardmodel gekozen worden. Bedoelde tien keurmeesters keurden ieder voor zich negen stuks, uiteraard niet hun meegebrachte vogel. Rangschikking in volgorde, dus 1, 2, 3, enz. In dit geval was derhalve niet de vogel met het hoogst maar met het minste aantal punten favoriet. De reeds meerdere malen hoogbekroonde blauwgebande doffer van C. van Riet kwam als Standaardmodel uit de bus. Een afbeelding van deze fraaie vogel kwam op de frontpagina van het keuringsregulatief te prijken. Treffend is, dat onze hedendaagse N.B.S.-standaard hoegenaamd niet afwijkt van het keuringsregulatief dd. 13 mei 1926. Er werden regels gesteld voor het keuren in de schoonheidsklasse, vliegklasse en de vliegtype klasse. Omtrent de keuring in de schoonheidsklasse werd o.a. bepaald: De schoonheidsklasse wordt in de hand gekeurd en naar schoonheid beoordeeld en bekroond. In de vliegklasse werden de duiven eveneens naar schoonheid beoordeeld en gekroond. In de vliegklasse konden alleen duiven worden ingezonden welke een bepaald aantal kilometers hadden gevlogen. Voor de vliegtype klasse werd bepaald: De vliegtypen worden bekroond uitsluitend op vliegcapaciteiten met voorbij zien van de schoonheid van de vogel. Op 22 oktober 1932 werd deze bepaling met meer voorzichtigheid geredigeerd en kwam te luiden: De vliegtypen worden gekeurd uitsluitend op vermoedelijke vliegcapaciteiten met voorbijzien van de uitmonstering van de vogel en desgewenst volgens het dan geldende puntenstelsel. Op 19 november 1926 werd in de grote zaal van Hotel De Moriaan te Maassluis het allereerste examen voor duivenkeurmeester afgenomen. Theoretisch en praktisch. Examinatoren dezelfde heren die enkele maanden tevoren de standaard (het keuringsregulatief) hadden vastgesteld. De belangstelling voor de vliegconcoursen alsmede voor de tentoonstellingen nam enorm toe. Misschien wel interessant te vermelden dat we voor elke duif welke wij keurden één cent moesten afdragen aan de groepskas, hetwelk in die tijd meer opleverde dan men zou vermoeden. Op 22 juli 1923 werd de Nederlandse Bond van Sierduivenliefhebbers Verenigingen opgericht (N.B.S.). De standaardcommissies ingesteld. Wijlen de heer H.W. Logman had in vele van deze commissies zitting. Eerst op 26 september 1937 viel het volgende N.B.S. besluit. Keurmeesteropleiding: Het bestuur wordt gemachtigd een cursus voor te bereiden en zo mogelijk te organiseren. Het heeft nog jaren geduurd voor deze opleiding van de grond kwam. Wijlen de heer C.Th. van Gink werd cursusleider.

Terug naar het begin van de eeuw,want ook in onze buurlanden werd in die tijd geprobeerd postduiven een fraaier aanblik te geven. In Engeland liep het op een volkomen mislukking uit. Show Homers, Exhibition flying Homers en Genuine Homers zijn weliswaar pracht vogels welke hun bestaan beslist waard zijn , maar de naam Homers moet men wegdenken. Het woord flying bij de Exhibition Homer komt men niet meer tegen. Bij lossing op 25 km. afstand zullen deze apart geworden rassen het Home niet bereiken. De vliegcapaciteiten zijn volledig weg gefokt.

In Duitsland werd ook een poging ingezet. De "Deutsche Schonheits Brieftaube"kwam eruit, aanvankelijk met succes. Men fokte tenslotte zonder meer een prachtvolle lijn- en vormvogel, echter eveneens zonder vliegwaarde. De Duitsers dit inziende hebben de naam van het ras veranderd. Het is zeer terecht een "Deutsche Schautaube" geworden.

Te wensen waren, dat deze naam in Holland t.z.t. aangepast wordt. Schouwduif is een goed Hollands woord.

In België waar de vliegduivensport als nationale sport beschouwd kan worden, fokte men met behoud van de vliegcapaciteiten de Luikse Postduif (Luikenaar|). Klein van postuur, hard aanvoelend, volle en zachte pluim, kortgesnaveld, kogelronde kop, donker rode ogen met fijne rand omgeven. Deze interessante vogel die ongetwijfeld veel heeft bijgedragen in de veredeling van de Postduiven is helaas zo goed als verdwenen. Verder kreeg in België de Show Antwerp het levenslicht, zij het een kort levenslicht. Een op de Luikenaar gelijkende duif met een nog vollere kop, echter met minder vliegcapaciteiten, hetgeen niet de bedoeling was. Vooral door de Duitse bezetting in de eerste wereldoorlog werd de Belgen de kans ontnomen om tot verdere veredeling van de Postduif te komen. De nog lang niet geperfectioneerde Show Antwerp verdween van het Belgische tapijt en kwam op het Engelse tapijt terecht. In Engeland werd dit ras geperfectioneerd. Men gebruikte in Engeland de Show Antwerp ook bij de vorming van de Show Homer. Na de tweede wereldoorlog werd door de Belgische postduivenfokkers de Belgische Schoonheidspostduif ten tonele gebracht. Wel een aardige vogel maar zonder chauvinisme vind ik wat de adel betreft, de Nederlandse Schoonheidspostduif fraaier. De Belgische Schoonheidspostduif wordt minder op de tentoonstellingen aangetroffen.

Het allerlaatste nieuw komt uit de U.S.A. alwaar men de American Giant Homer Association heeft opgericht. De American Giant Homer is een schitterende vogel. Het zal mij niet bevreemden als dit ras t.z.t. in ons land zal worden erkend. De naam Giant is terecht maar ook hier moet men de naam Homer maar vergeten. Een dergelijke vleesvogel zal m.i. zijn Home, zelfs van zeer korte afstand niet bereiken.

Tussen de twee wereldoorlogen was er een tijd van bloei voor de duivenhouders. Bekende vliegduivenfokkers, o.a. de Belgische Maurice Delbar en de Goudse C.P. Boer, er zijn nog tientallen te noemen, bewezen dat postduiven met zeer goede vliegcapaciteiten ook in schoonheid konden uitblinken. Er waren echter vliegduivenfokkers, die eveneens met fraaie vogels op de tentoonstellingen wilden uitkomen en helaas gingen inkruisen met o.a. Show Homers, hetgeen uiteraard aan de vliegcapaciteiten afbreuk deed. Het ging voorkomen, dat zeer goede vliegvogels, welke als zodanig hun boontjes al lang verdiend hadden op de tentoonstellingen vanwege een fraaie kopbelijning werden terug gezet met de kwalificatie "Show Homer type". Niet vast in hun schoenen staande keurmeesters wilden om geen flater te slaan, zich gaarne van keuring in de schoonheidsklasse onthouden. Zelfs nu nog ligt bij verscheidene vliegduivenhouders als ze een postduif met een fraaie kopbelijning zien, het woord Show Homer in hun mond bestorven, hoewel 99 % ervan nimmer een echte Show Homer hebben gezien.

Het aantal postduivenhouders in ons land nam zeer sterk toe en overvleugelde in ruime mate het aantal sierduivenhouders. Een afscheiding kon niet uitblijven. De vliegduivenhouders alsmede de Groep van Keurmeesters keerden de Raad van Beheer de rug toe. De keurmeesters van de Groep gingen uitsluitend op punten keuren en lieten de schoonheidsklasse over aan de sierduivenkeurmeesters. Aanvankelijk keurden op onze grote bij de Raad van Beheer aangesloten tentoonstellingen nog keurmeesters van de Groep, o.a. de Utrechtenaren Robeerts en Sparenburg, de heer G. Heerschop en de Rotterdammer H. Zeelenberg, doch later keurden uitsluitend de bij de N.B.S. aangesloten sierduivenkeurmeesters. Postduivenhouders, werkelijke liefhebbers, die hun duiven niet wilden uitbuiten maar toch wel wilden africhten, zij het op kortere afstanden en graag wilden meewerken aan verfraaiing van de postduif werden door de afscheiding in hun vrijheid belemmerd. Zij moesten keuze bepalen, of aanblijven bij hun bestaande postduivenorganisatie of lid worden bij een bij de Raad van Beheer aangesloten vereniging. Beide organisaties gaven inmiddels hun eigen ringen uit. Er bestond nog een derde ringenbureau, eerst in Utrecht, daarna in Rotterdam, het Nederlandse Merkenbureau (N.M.), dat o.a. de N13 en de sterringen heeft uitgegeven. Dit bureau is opgeheven. De NM-ringen werden door de Raad van Beheer erkend. Tot de onder de Raad van Beheer vallende tentoonstellingen werden uitsluitend duiven met door de R.v.B. erkende ringen toegelaten. Duiven voorzien van twee ringen werden gediskwalificeerd, derhalve moesten bedoelde liefhebbers afhaken of omzwaaien. Er bestaat in Schiphol en omgeving een vereniging van postduivenliefhebbers, die uit principe niet op de grote afstanden africhten. Het is mij opgevallen op hun tentoonstellingen, dat verschillende van hun fokproducten het thans gestelde ideaalbeeld van de Nederlandse Schoonheidspostduif beginnen te benaderen. Mogelijk zijn er meer van dergelijke verenigingen. In Lille zag ik eveneens fraai gebouwde en gestroomlijnde postduiven, welke het Nederlandse schoonheidsbeeld benaderden. Ik had die daar niet verwacht. Pogingen om de eigenaar te ontmoeten, mislukten. Het waren bevlogen duiven, ik vermoed Delbars.

Na de tweede wereldoorlog was ons duivenbestand gereduceerd tot naar schatting slechts 1%. De oorlog was echter amper ten einde of wijlen Jan Meenderman en de nog in leven zijnde vitale Louis Maas wisten geschiedenis te maken. Bekend als ze waren in de grensstreek nabij hun woonplaats wisten ze verscheidene duiven, waarvan de meeste Duitse Schoonheidspostduiven, uit Duitsland naar Nederland te smokkelen. Er mochten toen nog beslist geen duiven over de grens gebracht worden. Er werd streng gecontroleerd. Mede door nog andere clandestiene importen liep het aantal Schoonheidspostduiven sterk omhoog. Op 14 december 1948 staken we de koppen bij elkaar en werd de "Schoonheidspostduivenclub in Nederland" opgericht, welke zich aansloot bij de N.B.S. De Club vroeg toestemming om de heer Meenderman als keurmeester voor de Schoonheidspostduiven te mogen laten optreden. Op deze aanvraag werd op 15 januari 1949 door het bestuur van de N.B.S. als volgt gereageerd:

"Op grond van ingekomen adviezen zal de Raad van Beheer worden geadviseerd de aanvraag van de heer J. Meenderman af te wijzen en de heer M.G. Sterk met vrijstelling van het examen C-bevoegdheid voor Norwich Kroppers te verlenen.

De heer Meenderman was oprichter en voorzitter van de Club en bij uitstek kenner van alle inmiddels gecreëerde schoonheidspostduivenrassen.. Het was jammer en nadelig voor de pas opgerichte club dat dit onbegrijpelijke besluit viel.

Zoals reeds vermeld werd door de N.B.S. op 25 augustus 1947 een vaste standaardcommissie ingesteld. Deze commissie kwam voor een berg werk te staan. Evenals voor de sierduivenrassen werd de Standaard van de Nederlandse Schoonheidspostduif opnieuw vastgesteld. Deze Standaard is in de rasbeschrijving opgenomen. Het is een gedegen stuk werk waarmee een goede kenner uit de voeten kan. Zonder de goede keurmeesters te kort te doen, want die zijn er, heb ik echter mijn twijfels. Het waarom wil ik trachten uit te leggen door vergelijking van het keuren door een vliegduivenkeurmeester en het keuren door een schoonheidspostduivenkeurmeester. Ter verduidelijking gebruik ik veel, eigenlijk te veel het woord: "vliegduif". Een vliegduif is een duif welke geschikt is of geschikt te maken is voor een wedvlucht. De vliegduif is een postduif evenals de Nederlandse Schoonheidspostduif een postduif behoort te zijn. Voorop wil ik stellen dat geen enkele keurmeester kan zien of voelen welke duif het beste oriëntering vermogen heeft. Wetenschappers zijn al meer dan een eeuw bezig om het oriënteringsvermogen van de postduiven en de trekvogels op te lossen en zo lang dit vraagstuk nog niet geheel is opgelost, dienen we dit terzijde te stellen. Toch zijn er keurmeesters, die het merendeel van de beste vliegduiven naar voren weten te brengen. Een vliegduif met een lelijke platte kop (platdak) of een hoekige kop met grove ongelijke of lelijk gekleurde oogranden, met bloemkoolwratten is niet mooi maar de opgesomde lelijkheden doen aan haar vliegcapaciteiten niets af.

Het zal de vliegduivenkeurmeester dan ook een zorg zijn. De keurmeester, die op schoonheid keurt heeft hieraan wel zorg te besteden en hoe.

OOG: Evenmin is een uitmuntende vliegvogel met een bont oog, een gevlekt oog, een staaloog of met verschillend gekleurde ogen mooi te noemen. Het raakt de vliegduivenkeurmeester niet. Wel kijkt hij of beide ogen stralend zijn en als de glans er duidelijk op zit, welnu dan heeft hij met een vitale- en goed in conditie zijnde vogel te doen. Een Schoonheidspostduivenkeurmeester heeft de opgave om niet alleen naar een levend oog te kijken beide ogen moeten van de voorgeschreven kleur zijn en omringd zijn met de voorgeschreven oograndjes.

BOUW: Het spierenstelsel geeft bij een vliegduivenkeurmeester de doorslag, een papperig aanvoelende duif kan geen goede vlieger zijn. Hij let voorts op een stevig borstbeen, niet te scherp dus, op een brede rug en een brede soepele bovenstuit, verder wenst hij soepele en dikke aaneen gesloten stuitbeentjes, welke bij de duivinnen wel even mogen uitstaan. De Standaard waarmee de Schoonheidspostduivenkeurmeester moet werken stelt in feite dezelfde eisen. (Zie borst, rug en lichaam.)

VLEUGEL: Voor beide keurmeesters dezelfde bepalingen. Hoewel in onze Standaard niet zo de nadruk wordt gelegd op het spierenstelsel moet het voor onze keurmeesters vanzelfsprekend zijn hierop streng te letten. De vleugels moeten gespierd zijn, de gewrichten stevig en soepel. De slagpennen breed, bij uitgespreide vleugels vormen zij om de toppen één rechte lijn. De mantelpennen moeten dicht aaneengesloten zijn. De dekveren zo lang mogelijk zodat ze de mantelpennen goed bedekken. Uitgespreide vleugels waar men met de vinger kan doorsteken voldoen niet aan de eis.

STAART: Deze wordt bij de Nederlandse Schoonheidspostduif zeer terecht, kort verlangd. Er moet echter wat die kortheid betreft niet overdreven worden. Een duif met een zeer korte staart kan mogelijk wel fraai zijn maar kan minder goed vliegen. De staart moet horizontaal gedragen worden. De staartpennen moeten krachtig en flink aangesloten zijn, op de uiteinden gerond. Met een slecht gesloten staart of een afhangende staart gaat veelal een slappe stuit gepaard. De vliegduivenkeurmeester besteedt hieraan veel aandacht.

BENEN: De vliegduivenkeurmeester beoordeelt deze precies zo op vorm en stand als de Standaard van de Nederlandse Schoonheidspostduif voorschrijft, op kleur wordt evenals de nagelkleur geen aandacht geschonken. Hoewel de Standaard het niet voorschrijft ziet de Schoonheidspostduivenkeurmeester gaarne helrode benen. Donker aangeslagen benen, alsmede een of meerdere witte nagels bij eenkleurige vogels (roek) zal hij dienen te bestraffen.

BEVEDERING: De vliegduivenkeurmeester schenkt hier zeel veel aandacht aan. De bevedering moet voor beide keurmeesters vol en glad aanliggen, zacht als zijde aanvoelen en glanzen. De kleur zal voor de eerste weer een zorg zijn maar de ander moet op de juiste kleur en kleurverdeling letten.

Gebande vogels met aan weerszijde twee diepgekleurde smalle banden, welke goed doorlopen dient hij de voorkeur te geven aan die met slecht gevormde- of gekleurde banden of een (begin van) derde band, enz enz.

De eerlijkheid gebiedt te vermelden dat bij de eerste phase waarbij getracht werd een ideaal beeld van de Nederlandse Schoonheidspostduif te bereiken, gebruik is gemaakt door enkele fokkers van de toen nog betrekkelijk goed vliegende Duitse Schoonheidspostduif. Dit ligt echter in het verre verleden. Niettegenstaande treft men soms nog wel in de kooien vogels aan, die aan hun kopvorm hun afkomst uit het Duitse ras, lichtelijk verraden.

Helaas wordt dit euvel niet altijd door de ambterende keurmeesters onderkend. Men wil de kopvorm wel eens vergelijken met de vorm van een half ei maar er zijn spitse en ronde eieren. Dat ronde ei moeten we niet. De kop moet horizontaal gedragen worden, ook daar is de laatste tijd op aan te merken.

We moeten niet de weg terug. De Nederlandse Schoonheidpostduif is op hoog peil gebracht en heeft internationale waardering gekregen. Zij moet allereerst een echte vliegduif blijven met uiteraard de fraaie belijning, kleuren enz. zoals in de Standaard opgenomen is.

CONCLUSIE: Het keuren van de Nederlandse Schoonheidspostduiven is zeer moeilijk. Er kan niet genoeg op geattendeerd worden dat men als het ware bij de keuring een bundel spieren in zijn handen moet hebben met alles wat erop en eraan zit wat de Standaard voorschrijft.

De keurmeester moet veel ervaring hebben en het letterlijk en figuurlijk in zijn vingers hebben. De bekende en ervaren keurmeester en examinator H.Th. Moezelaar, kenner van het ras, die medegewerkt heeft aan de Standaard schreef destijds een interessant artikel in Avicultura over dit ras waarin hij er eveneens op wees, dat het zijn vliegwaarde diende te behouden. Als deze eis wegvalt dan zijn we nergens meer. De exameneisen behoren in het belang van het ras strak te worden aangehaald.

Aldus de heer M.H. Nebbeling

==================================================================================================================================================

Verslag rasbegeleidingscommissie 2010                            Maart 2011

De Nederlandse Schoonheids Postduif het afgelopen showseizoen.

Onze algemene indruk is dat we zeer tevreden kunnen zijn over onze Nederlandse schoonheids postduif. Op de diverse shows zit dit ras dikwijls hoog in de prijzen.            Over het algemeen is het type wel goed, zij het dat er gelet moet worden op de (staart)lengte. Een enkele keer komt het ook nog voor dat de NSP wat te hoog staat. Veel problemen kunnen zich voordoen aan de kop. Vooral bij de witten is er nog het een en ander te verbeteren aan de neusdoppen, bij de zwarten is hierin veel vooruitgang geboekt. Ruwe neusdoppen zie je hier en daar nog wel eens bij de blauwzwartgebanden en met name ook bij jonge dieren. Maar ook in deze kleurslag nog wel wat “blazige” neusdoppen; let wel heren keurmeesters dit mag best op de kaart vermeldt worden.                       

Wat al behoorlijk aan het terugdringen is is de wat “te diep ingesneden” neusdop. Hier moeten we op blijven letten. Echter dieren waar de snavelrug zichtbaar is kom je gelukkig bijna niet meer tegen. Sommige   koppen worden wat smal en dan mis je de wigvorm.  Wat misschien ook nog wat aandacht moet krijgen is    de horizontale kopdracht. In Duitsland is dit ras met zeer grote sprongen vooruit gegaan. Dat komt natuurlijk ook om dat veel van onze goede dieren naar Duitsland verkocht worden. We bemerken dat het aantal NSP-fokkers bij onze club ietsje afneemt, wat is daarvan de reden? Heren fokkers er liggen nieuwe uitdagingen te wachten; wat dacht u van de kleurslagen blauwzilver-, roodzilver- en geelzilver ongeband en dan de éénkleurige rode en gele met  rode, respectievelijk gele slag- en staartpennen tegenover de dominant rode en gele welke lichte, respectievelijk roomkleurige slag- en staartpennen horen te hebben? Ga die uitdaging eens aan! Tot besluit kunnen wij melden dat we zeer tevreden zijn over de kwaliteit van onze Nederlandse schoonheidspostduif.

Willem Tuinman & Klaas Nicolaij

 

De Nederlandse Schoonheidspostduif is in de onderstaande kleurslagen erkend.

De geel gemarkeerde kleurslagen zijn met ingang van showseizoen 2011 erkend.

wit ,zwart, dun, rood, geel, dominant rood, dominant geel, blauw ongeband, blauwzilver ongeband, roodzilver ongeband, geelzilver ongeband, blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, roodzilver geband, geelzilver geband, blauw gekrast, blauwzilver gekrast, roodzilver gekrast, geelzilver gekrast, blauw donker gekrast, blauwzilver donkergekrast, roodzilver donkergekrast, geelzilver donkergekrast, blauw schimmel, blauwzilver schimmel, roodzilver schimmel, geelzilver schimmel, bont (in de vorengenoemde kleuren).