Index    Nieuws    Vererving   NSP  DSP   Dragoon    Gen.Homer   Show Homer  Ex.Homer   Show Antwerp  Giant Homer   Show Racer
 
BTTR   Gastenboek   Ledenlijst   Vraag & aanbod Links Rasbegeleidingscommissie

 

 

 

 

 

Duitse Schoonheidspostduiven

 

Roodzilver geband

Geelzilver geband
 

Blauwbont

Blauw zwart geband

Geelzilver geband

Blauwzilver geband

 

Roodzilver geband

Geelzilver geband
 

De hieronder afgebeelde Duitse Schoonheidspostduiven zijn tijdens de 'Hauptssonderschau' in 1994 gefotografeerd door Gerhard Rademacher/Dld.

De huidige Duitse Schoonheidspostduiven zijn eleganter en de koppen minder sterk afgebogen

 

 

                                                

                Fokker: Berend Beekhuis                   

Fokker: Frans de Nijs

 

 

lDUITSE SCHOONHEIDSPOSTDUIF

Land van oorsprong: Duitsland.

Aigemeen voorkomen

Middelgrote duif; kort en krachtig type; wigvormig, tamelijk hoge stand, horizontaal gedragen lichaam met vloeiende contourlijnen.

Raskenmerken

 

Kop: Boven de ogen breed, naar de snavelpunt wigvormig versmallend. Snavel en voorhoofd vormen een ononderbroken, lichte booglijn met het hoogste punt boven de ogen, met een goede ronding in de hals overgaand. Het fijngetrokken voorkopprofiel en de snavel mogen niet te sterkgebogen zijn.

Ogen: Groot. opvallend met intensief (robijn) donkerrode iris. Bij wit donkere, bij bonte, afhankelijk van de kleur van de kop, donkere of (robijn) donkerrode ogen.

Oogranden: SmaLfijn, cirkelvormig, lichtgrijs tot witachtig.

Snavel: Middellang, krachtige aanzet. vol, stomp, gesloten; vanuit de snavelhoek voor 2/3 recht en het voorste gedeelte licht gebogen. Het verlengde van de snavellijnongeveer door het midden van het oog lopend. Kleur conform de kleur van de omliggende bevedering en/of tekening. Licht bij wit, rood en geel. Bij bonte zonder betekenis. Neusdoppen: Glad en aanliggend, de kopbelijning op geen enkel punt verstorend; langgerekt, bovengrens licht hartvormig. Op de snavel gesloten en tot in de snavelhoek reikend.

Hals: Breed aan de schouders, naar de kop met fijne, slanke belijning versmallend, opgericht gedragen zonder nekaanduiding.

Romp: Brede en gewelfde borst. kort en gedrongen, zonder massaal of plomp te lijken, bijna horizontale houding, naar achteren wigvormig verlopend, krachtig, en heel licht afhellend, Keel goed gerond uitgesneden.

Vleugels: Bij de vleugelboegen iets afstaand; brede pennen; vleugeldracht normaal.

Staart: Kort en smal. iets voorbij einde slagpennen reikend.

Benen: Goed middellang; dijen strak bevederd; nagelkleur conform kleur bevedering. Bij bonte zonder betekenis.

Bevedering: Goed ontwikkeld. glad en strak aanliggend.

Kleurslagen

Wit, zwart, dun. rood en geel; Donker dominant rood. dominant geel; Blauw zwartgeband, roodzilver geband. blauwzilver donkergeband, geelzilver geband; Blauw-, roodzilver-. blauwzilver- en geelzilver ongeband; Blauw-, roodzilver-, blauwzilver- en geelzilver gekrast; Blauw-. roodzilver-, blauwzilver- en geelzilver donkergekrast; Meellicht ongeband, meellicht geband. geleeuwerikt; Blauw witgeband, lichtblauw witgeband; - bont in alle bovenvermelde kleurslagen (alleen bont vermelden); Blauwschimmel zwartgeband-, blauwzilver-, roodzilver-. en geelzilver schimmel; Blauw zwartgeband-, zwart-, blauw-, dominant rood-, dominant geel, rood- en geel donkergetijgerd.

Ernstige fouten

Te plomp, te groot, te lang. te klein; stijve, te lage, te hoge of afhellende stand; te smalle of vlakke borst; hoekige kop. slecht gevulde voorkop; te weinig schedelhoogte, platte kop, snaveldruk zwakke of spitse navel. niet correct gesloten snavel, boven het oog lopende verlengde snavellijn; te korte, opgeblazen. ruwe, gedrukte of op de snavelrug doorgaand gedeelde neusdoppen; afwijkende oogkleur; donkere, rossige. gelige, ovale of grove oogranden; gebrekkige bevedering rond de oogranden; te dlkke hals, keelwam, halsknobbeL jabot.

Beoordeling: Algemeen voorkomen - Type en stand - Kop en snavel - Hals-en beenlengte - Kleur - Oogkleur.

Ringmaat: 9 mm

=====================================================================================================================================================================

Het is inmiddels alweer meer dan 20 jaren geleden (voorjaar 1984) dat in Duitsland het nieuwe ideaalbeeld van de Duitse Schoonheidspostduif werd gepubliceerd. Vooral de Zuid-Duitse fokkers hebben zich daar destijds enorm voor ingezet. In Duitsland was er onder de fokkers aanvankelijk erg veel tegenstand tegen de nieuwe standaardafbeelding. Met vond vooral het type veel te extreem (te lange hals en benen) en de gewenste kopdracht te veel afgebogen. Nu kan men zich niet meer voorstellen  dat het voorgestelde nieuwe type destijds op zoveel tegenstand stuitte. Ook pertinente tegenstanders wisten maar al te goed dat op de shows de prijzen gewonnen worden door elegante en hooggestelde dieren. In het vroegere Oost-Duitsland bleef men wat langer vasthouden aan het oude type. Deze waren lager gesteld met halzen die korter en dikker waren. Men selecteerde daar vooral op vorm en structuur van de neuswratten, daarnaast werden de hoogste eisen gesteld aan vulling en volume van kop en snavel. Na de val van de Berlijnse muur en het samengaan van de beide "Sondervereinen" showden de Oost-Duitse fokkers hun duiven ook op de "Haupt-Sonderschauen". Het is verbazingwekkend hoe snel zij er in slaagden het type van hun duiven aan te passen. Type en kopbelijning zijn natuurlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Laaggestelde compacte duiven met korte dikke halzen hebben haast zonder uitzondering ook korte koppen met veel breedte en vulling in de voorkop. In de lengte van de voorkop laten ze het veelal zitten. Voor de fok zijn dergelijke duiven nog steeds onmisbaar. Met alleen selecteren op elegantie van type en lengte in voorkop degenereert het ras binnen enkele generaties tot een soort tuimelaar. De selectie moet men dus richten op behoud van volume in snavel en voorkop. Het Duitse ideaalbeeld is in realiteit natuurlijk nooit helemaal te verwezenlijken. Lang in hals, benen en voorkop en kort in achterpartij gaat nu eenmaal niet samen. Noodgedwongen zal men een compromis moeten aanvaarden. Met de duimstok is zo iets niet aan te geven. Het geoefende oog van fokker en keurmeester bepaald of het geheel kan bekoren.

Onlangs vond ik een kopie van een artikeltje dat ik in 1984 naar aanleiding van het toen nog nieuwe ideaalbeeld geschreven heb. Wat ik destijds schreef geldt nog vrijwel onveranderd. Sindsdien is er een nieuwe generatie fokkers van D.S.P. bijgekomen. Reden genoeg om dat oude artikeltje, iets aangepast, hier nogmaals te laten volgen.

Bij vergelijking van het oude Duitse ideaalbeeld (uit 1966) met het nieuwe (van 1984) vinden we de volgende verschillen: De hals is slanker en toont daardoor langer en wordt verticale gedragen, vooral de keeluitsnijding is mooi scherp, de borst komt nog iets geprononceerder voor de vleugelbogen uit, met meer lengte in de voorkop (bedoeld wordt de afstand tussen oog en mondhoek) vooral de belijning van de bekspleet is ingrijpend veranderd; was hij vroeger vrijwel recht getekend nu loopt hij mooi gebogen vrijwel evenwijdig met de bovenkop. De kopdracht was in het oude ideaalbeeld nog vrijwel horizontaal nu is die duidelijk benedenwaarts gericht. Ook de oogrand is nog iets smaller getekend. Mede door de iets hoger gedragen vleugels lijken de benen langer. Het heeft geen zin om de Duitse standaard letterlijk te vertalen, het gaat toch vooral om de interpretatie. Zowel in Duitsland als in Nederland komen type en stand bij de beoordeling voor kop en snavel. Dat wil beslist niet zeggen dat de kopbelijning minder belangrijk is dan type en stand. Bij de beoordeling van het type dient men altijd uit te gaan van de harmonie van het geheel, op een forse doffer kun je geen super slank halsje verwachten.

Dieren van een iets meer dan gemiddelde grootte  voldoen als showdier het best. De benen royaal middenlang en heel licht gehoekt, de borst iets voor de vleugelbogen uitkomende, de hals eveneens "middenlang" (dus beslist niet te kort) en slank. Vooral een scherpe keeluitsnijding is voor een juiste kopbelijning zeer belangrijk. Met een slanke hals wordt een hals bedoeld die mooi vol uit de borst komt en naar de kop toe snel in doorsnede afneemt. Een strakke bevedering kan veel bijdragen aan die indruk van slank zijn. Voor het type is het zeer belangrijk dat de hals echt verticaal gedragen wordt, iedere aanleg tot hengstennek, volle keel of wam moet streng bestraft worden. De vleugels verlangen we mooi hoog gedragen zodat de rug goed afgedekt wordt.

De iets afstaande vleugelbogen die een aantal jaren geleden nog verlangd werden zien we liever niet meer. Bij zeer strak bevederde duiven zijn de vleugelbogen ook aan de voorzijde zichtbaar, dit mogen we niet bestraffen. Maar als de vleugelbogen door de borstveren bedekt worden heeft dat de voorkeur. De achterpartij zo kort mogelijk, omdat dit een kwestie van harmonie is kan geen exacte maat worden aangegeven. Een duimbreed langer dan de vleugeleinden is een goed uitgangspunt maar bij veel duiven nog een utopie. Te laag gestelde duiven lijken haast altijd te lang.

Aan de stand doen we geen concessies, van geen enkele duif kan men verlangen dat hij 24 uur per dag de door ons gewenste horizontale stand aanneemt maar dieren die alleen met behulp van de keurstok daartoe gedwongen kunnen worden hebben op een show niets te zoeken.

De omschrijving van de kopbelijning in de standaard is niet veranderd. Toch zijn die superbrede voorkoppen van de shows verdwenen. Voor goed gevormde lange neuswratten moet er ook voldoende lengte in de voorkop zijn, bij die extra brede koppen ontbreekt die veelal.

We verlangen nu koppen met een behoorlijke lengte in de voorkop, goed afgebogen met het hoogste punt van de schedel boven de ogen en vooral de achterkop mooi droog en afgerond in de nek overgaande. Van de zijkant gezien vormt de bovenbelijning een duidelijke ononderbroken booglijn tussen snavelpunt en schedel. Het oog moet zo geplaatst zijn dat er een behoorlijke dekking boven de ogen is. Een krachtige snavelpartij is vooral voor fokdieren een absolute vereiste. Te fijne ondersnavels zijn ook bij showdieren onacceptabel.

De kopdracht is eveneens zeer belangrijk bij een DSP  Te veel afgebogen  "laagzichtig" ziet men steeds minder.  Toch moeten we ons blijven hoeden voor teveel afbuiging dit is rasvreemd en doet aan Neurenberger Bagadetten denken.

Het oog wordt rond verlangd met een heel smal oograndje (hoe smaller hoe beter). De kleur van de oogrand is aangepast aan de veerkleur. Bij zwart en donker wordt bijvoorbeeld een grijs oograndje gewenst. Dit is vrijwel niet te verwezenlijken, bij deze kleurslagen zullen we een naar wit neigende oogrand moeten accepteren. Rode, gele of aangelopen oogranden behoren tot de ernstige fouten en moeten streng bestraft worden. Vooral bij de witte kleurslag zien we vaak dat de veergroei, voornamelijk aan de onderzijde, niet helemaal bij de oogrand aansluit dit is foeilelijk en kost minstens een predikaat. Dit moet wel in de kooi al vastgesteld worden, eenmaal in de hand genomen vertonen de meeste dieren dit euvel.

Behalve bij de witten en aan de kop bonten die een donker oog moeten hebben verlangen we bij de overige kleurslagen een kersen- tot kastanjerood oog. Vooral bij de gelen is dit vrijwel niet te realiseren. Te donkere, gele of parelkleurige ogen moeten als een ernstige fout worden gezien.

Alleen aan de neuswratten zou men een heel boek kunnen wijden. Hierbij gaat het om vorm en structuur. De wratstructuur moet zo glad mogelijk zijn, iedere vorm van grofheid of ribbeling  moet streng worden bestraft. Ook het ontbreken van poeder bij de snavelpunt kost minstens een predikaat. Wat de vorm betreft: de wratten moeten zo lang mogelijk zijn, dus vrijwel bij de snavelpunt beginnen en doorlopen tot aan het begin van de bekopening. De bovenzijde van de wratten, dus bij de veeraansluiting verlangen we hartvormig (dus zwak ingesneden) De kopbelijning zelf mag door de wratten op geen enkele wijze onderbroken worden er is geen ander ras waaraan op dit punt hogere eisen gesteld worden. Als ideaal gelden wratten zonder middenscheiding. Bij de huidige stand van het ras is een aanduiding van een  middenscheiding nog steeds geoorloofd en mits aan alle andere eisen wordt voldaan  kunnen deze dieren nog altijd het predikaat F. behalen.

Een te grove middenscheiding waarbij de snavelrug zichtbaar wordt reduceert het predikaat tot onvoldoende. Ook een te diep ingesneden wrat, een opgestulpte wrat (een wrat die bij de veeraansluiting een verhoogde rand vertoond) een blazige wrat (dit zijn wratten die vooral zijdelings de kopbelijning. verstoren) of de aanleg van een 3e wrat (een klein driehoekig wratje bij de snavelpunt) allemaal fouten die sterk vererven, het predikaat G. is dan het hoogst haalbare.

Hoewel kleur en tekening bij de beoordeling van de D.S.P. op de laatste plaats komen worden de daaraan te stellen eisen toch steeds hoger. Dieren met roest in de banden of gekleurde dieren met witte ruggen zijn met een G. dik beloond. Maar dieren met bijvoorbeeld een wat open krastekening kunnen nog altijd het hoogste predikaat halen.

Een gekleurde nagel of een aangelopen snavel bij de witten telt als een  grote fout, ook één of meer witte nagels bij een gekleurd dier wordt niet toegestaan.

 

==================================================================================================================================================

Verslag van de rasbegeleidingscommissie 2010                                                 Maart 2011

De Duitse Schoonheids Postduif het afgelopen showseizoen.

De kwaliteit van de DSP in Nederland is stabiel, toetsing aan het hoge niveau in Duitsland is er ook weer geweest de uitslagen wijzen uit dat de we daar goed mee kunnen doen  met onze Nederlandse duiven.

Prettig om te constateren dat het bij beoordelingen in Nederland door clubkeurmeesters nu ook weer zo is dat winnende duiven in Duitsland ook hier mede tot de winnaars behoren, dit was  in het recente verleden niet altijd het geval.

Voor wat betreft de jongdierenkeuring in Nijmegen, lof voor de keurmeesters van de DSP die op een juiste manier de duiven hebben beoordeeld en naar waarde hebben ingeschat.

Type en stand (60 % van de beoordeling) is, mits de duif gewend is aan een kooi, altijd goed te beoordelen.  Natuurlijk is het zo dat tijdens de jongdierenkeuring nog lang niet alle duiven uitgeruid zijn. De verhoudingen van standhoogte en lengte verbeteren nog wat met uitgroeien van de laatste slagpennen,(staartlengte duimbreedte van eind staartpennen). Het moment dat ze nog op 2 slagpennen staan moet de kopbelijning praktisch in orde zijn, een minimale tekortkoming hoeft dan niet direct tot puntenaftrek te leiden. Het komt dan uiteindelijk toch aan op de details die de verschillen moeten maken in de beoordeling, hier werd goed mee om gegaan. 

Op de districtshows en op de clubshow waren behoorlijke aantallen DSP ingeschreven, de keuringen aldaar gaven een wat wisselend beeld te zien.  Als aandachtspunten kwamen naar voren in de beoordeling de hals- en beenlengte, de wrat, de oogranden en het borstbeen.  Hier werd niet altijd een juiste omschrijving gegeven, dat geeft soms de indruk van een verkeerde beoordeling terwijl dit waarschijnlijk niet zo bedoeld is.

Hals en beenlengte moet beoordeeld worden als een eenheid omdat deze lengte gelijk moet zijn, dus fraaie hals- en beenlengte als de lengte correct is. Ontbreekt er hals of beenlengte dan is het al naar gelang de afwijking ZG of G hals –, en beenlengte met de wens meer lengte in hals of benen.

De vorm van de hals wordt net als die van de benen apart weergegeven als daar aanleiding voor is, bv.  een te dikke hals of wat wijde beenstand.

De wratlengte wordt nog wel eens onterecht weergegeven als te kort, vooral bij de duivinnen, als de bepoedering aan de onderzijde bij de snavel onvoldoende is. Dat is optisch bedrog; de wrat lijkt daardoor korter maar is het niet, het is dan een minpunt dat verkeerd wordt weergegeven. Er was zelfs een winnende doffer met een mooie lange wrat die in feite een minpunt had, omdat de bepoedering niet voldoende doorliep. Ook wordt er wat weinig op gelet dat de wrat een hartvormige inkeping behoort te hebben, deze moet toch echt aanwezig zijn. 

De oogranden werden hier en daar omschreven als te licht maar daar kan beslist geen sprake van zijn bij de DSP, er worden witte tot lichtgrijze oogranden verlangd. Het is mogelijk  dat er wat teveel wit of lichtgrijs zichtbaar is en dat dit bedoeld is. Maar dan is er sprake van niet aansluitende bevedering om de oogrand, dit is een punt in mindering  bij duiven die geheel uit geruid zijn.

Rode of gele aanslag en donkere oogranden zijn uit den boze bij de DSP en geven ook een punt in mindering.

Fokker: Berend Beekhuis

Keurmeester: Dennis van Doorn

De Duitse Schoonheidspostduif is in de onderstaande kleurslagen erkend. 

De geel gemarkeerde kleurslagen zijn met ingang van showseizoen 2011 erkend.

wit, zwart, dun, rood, geel, dominant rood, dominant geel, donker ongeband, blauw ongeband, blauwzilver ongeband, roodzilver ongeband, geelzilver ongeband, blauw witgeband, blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, roodzilver geband, geelzilver geband, blauw gekrast, roodzilver gekrast, blauwzilver gekrast, geelzilver gekrast, geleeuwerikt, blauw donkergekrast, blauwzilver donkergekrast, roodzilver donkergekrast, geelzilver donkergekrast, meellicht ongeband, meellicht geband, geleeuwerikt, blauw schimmel, roodzilver schimmel, blauwzilver schimmel, geelzilver schimmel, bont (in alle boven genoemde kleurslagen), zwart donkergetijgerd, blauw donkergetijgerd, rood donkergetijgerd, geel donkergetijgerd.

==================================================================================================================================================

Verslag van de rasbegeleidingscommissie 2011                                               Maart 2012

Wat het tentoonstellen betreft is het wat aantallen betreft een vreemd seizoen geweest voor de Duitse Schoonheidspostduiven. De start was alleszins redelijk; een aantal van 40 stuks op de jongdierenkeuring met een verrassende winnaar, daarbij ging het niet om de kleur van de duif, dat was een blauw zwartgebande, geen verrassing maar het was de heer H. Gijzen die de winnende duif in de kooi bracht.

 Een mooi aantal van 30 stuks kort na de jongdierenkeuring bij de Friese Sierduiven Club, met een  keuring waar de meningen van enkele inzenders over de keuring nogal verdeeld was. Winnaar Bennie Nijhof met een jonge blauw zwartgebande doffer 97 punten.

 Op de Keistadshow hadden het er meer kunnen zijn; een aantal van 19 stuks viel tegen, hier was de winnaar Frans de Nijs met een blauw gebande “buitenlander”, dat is lang geleden dat dit ons overkwam, want we hebben hier in Nederland toch echt wel goede duiven. Het was overigens best een mooie met een imponerende ''schwung'' in de kopbelijning.

De Noordshow in Zuidlaren kwam tot een aantal van 34 stuks Duitse Schoonheidspostduiven waarbij maar liefst 14 x 96 punten werd toegekend, in bijna alle kleurslagen werd dit puntental een  of meerdere keren toegekend. De voor onze club onbekende keurmeester was dus zeer onder de indruk van de kwaliteit, een jonge roodzilver gebande doffer van Iwan Meester (geen lid!) was de mooiste in het ras. Twan is inmiddels wel lid van de club geworden.

Een afknapper was de clubshow bij de Championshow, slechts 8 Duitse Schoonheidspostduiven van 2 inzenders (de rasbegeleidingscommissie zelf). Waarom vragen we ons dan af, was het de keurmeester, het tijdstip of was de show niet goed genoeg, we vernemen het graag, misschien op de jaarvergadering?   

Wat de keuringen als zodanig betreft ontstond er toch op meerdere shows weer een discussie over de kopdracht van de Duitse Schoonheidspostduif. Voor alle duidelijkheid: er kan geen sprake zijn van een horizontale kopdracht,

uitgaande van de snavellijn die schuin naar beneden loopt. De kop tekening laat wat dat betreft niets aan duidelijkheid te wensen.

Een punt van aandacht blijft de zozeer gewenste aansluitende oogrand bevedering, vooral bij de kleurslagen waar dit niet zo opvalt, zoals bijv. de getijgerde en de schimmelkleuren werd dit nog wel eens over het hoofd gezien.  De oograndkleur moet van wit tot lichtgrijs zijn, bij alle kleurslagen, gele of roodachtige oogranden leidt net als de niet sluitende oogrand bevedering tot puntenaftrek.

 Let op de oogrand als zodanig; deze moet rondom zichtbaar blijven, in een heel enkel geval zien we aan de bovenzijde van het oog bevedering die er overheen valt en de oogrand bovenlangs afdekt, hier mag men een opmerking over maken en hoeft niet direct tot puntenaftrek te leiden maar kan bv. het verschil maken bij het maken van een rangorde.

Het lijkt er verder op dat we in kleurslagen in de toekomst meer variatie gaan zien. In de blauw,  zwart,  dominant rood- en geel getijgerde kleuren zit vooral uitbreiding er is dankzij uitstekende contacten met Duitse fokkers goed fokmateriaal naar Nederland gekomen. Zelfs zien we mogelijk in de toekomst de uiterst zeldzame recessief rode en gele op de Nederlandse tentoonstellingen verschijnen.

Een verrassing viel te noteren op de SV Hauptsonderschau in Rostock (Dld) waar een recessief rode  doffer van Nederlandse komaf  (fokker Gerard Bosman) het tot SG 95 E bracht, en in die kleurslag mede tot de mooiste duiven behoorde.

 

De Nederlandse afvaardiging (inmiddels weer 3 clubleden)  naar de Sonderschau van de Gruppe Minden-Ravensberg in Duitsland hebben het daar ook weer goed gedaan in meerdere kleurslagen.

Februari 2012,

Berend Beekhuis en Dennis van Doorn.